Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En praatte als mens en toch iets in zich had Als was hij vreemd aan hun gedachtenkring. En 't jonge volkje, 't fluisterde in 'en hoek En de oudste zei, wat vreemd gevoel hij kreeg Onder die warme hand; Geertruid wou weten Waarheen hij ging, maar ernst gleed over hem: Hij zag die mooie, in-gezonde vrouw,

In 't midden van haar kroost en huis zo blij;

Haar man moest wel gelukkig zijn en hij...

'En traan welde op — »Toe, Geertruid, vraag niet

meer«

Zei Folkert — »Vreemdling«, zij »ik wist niet, dat...

Niet hindren wou 'k u...« — »Vrouw, ik zoek'tgeluk,

Dat ik hier zie; ik had het ook: 't is weg!

'En ruwe woestling stal haar, m'n twee kleinen

Verdwenen mee en weduwnaar ben ik!

Wee, wee mij!« — En hij boog moedloos het hoofd.

Bedrukt zagen zij 't aan, maar Folkert lei

Z'n hand hem op de schouder: >Kom, hou moed!

Je zoekt haar niet vergeefs: zag ik ze hier

Mischien voorbijgaan langs de stroom ? Ik stond

En wiste mij het zweet van 't voorhoofd af

Toen hoorde ik luid geschrei, maar 't was al heen;

Vlugger dan beekstroom schoot het voort, maar wat

Ik zag leek wel op uw verhaal. Daarheen

Gleën zij saam; maar kom, hou moed, de slaap

Sluiten