Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als Heemdal's hoorn de Goden wekt'en helden. Spreken wij nader.« Huivrig kil lag er 'En morgennevel om Walhal's paleizen En op de brede pleinen was geen leven.

Noch sliep daar ginds in 't licht-röze gebouw, Het blinkend Bredeblik, de Zonnegod Aan Nanna s zij, waar 't stil en donker was j Nacht-rillend liepen zij er langs, daar klonk Hun stappen hol, als was Walhalla dood. Bij Donar's eikenhouten poort met zwarte, Zwaar-ijzren bloemen om het kleine raampje, Namen zij afscheid. Vlugger liep noch Loke; De klopper dreunde zwaar door Donar's huis. Sif opende met haast; wat duurde 't lang Die ketting, grendels, die scharnierenknarsing! De forse God drukte z'n zwaargebouwde, Lichtblonde vrouw in de arm en moest, meer dan Hij kon, vertellen. Binnen, bij meer licht Vond hij haar 'n beetje anders, ouder, maar Dat was verbeelding, zei ze, Goden bleven Toch altijd jong. »Ja ja, maar Ouderdom!« — »Dat griezlig wijf, ik rilde toen 'k ze zag!« —

»Ja wel, maar k zal Idoena helpen zoeken.«

Moed gaf haar Wodan's plan al moest zij Donar Ook missen weer. Zij drukte hem aan 't hart, En ernstig zwoer hij 't zich z'n best te doen.

Sluiten