Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daar hinnikten strijdpaarden, horens klonken En strijd zou 't zijn; in 't ringig harnas, 't hoofd In helm-blank, stonden Siegmond daar en Erik, De vorsten bei begerig naar 'en klein Stuk land, de strijdbre helden om hun heen En lansen vlogen al, reeds staken pijlen In schilden. Wodan zuchtte: »Wanneer wordt De mens toch wijs?« Hij wikte beiden dood En dankte t Noodlot in z'n hart er voor:

Nu allen zwakker werden was er hulp Hoog nodig in Walhal; snel wiekten er Walkyren heen langs Bifrost's lange brug En telkens klapwiekten Walkyren aan.

Heemdal stak luid de horen toen, zodat Het klonk tot Bredeblik; noch even knelde Balder z n vrouw in de arm, noch éénmaal streek Hij t springrig goudhaar uit haar ogen weg En kuste die — plotsling 'en kleine schrik,

Want de eerste rimpel vond hij in haar voorhoofd, Zij lachte er om, maar Balder's lippen noemden Idoena s naam en ernstiger werd zij.

Angst voor de toekomst deed haar Balder staren, Zij bleef vol moed. Toen bukte hij zich tot Z'n kleinen, maar daarbuiten hinnikten De paarden al en voort ging over 't wit

Sluiten