Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Marmer de draf, de poort door, toen door 't ijl Luchtruim. De lichte God stond op de wagen; Walhalla slechts kon zoveel licht verdragen En velen zagen hem bewonderend na,

Genietend in 'en gloed van warmte, als de aard Verschroeid had en het blad had doen verschromplen, En gaandeweg verminderde z'n gloed,

Tot hij hun was als zon voor de aard des zomers, Maar mensen zagen 't lichten niet, al ging Het licht der sterren uit waarlangs hij reed,

Tot hij de plek, die dag tot opgaan aangewezen, had bereikt. En Nanna zag Hem na, maar toen ze stadig 't zonnespan De baan zag klimmen — Balder's lichthaar blonk Als goud boven de blanke mantel uit Toen ging ook zij, de nijvre vrouw, aan de arbeid.

En eindlik kwamen Loke en Donar aan,

Toen Balder lang al was aan 't daagliks werk. Ze gingen Wodan zoeken. Bij de poort Ontving hij tal van schimmen: »'Welkom hierU Het klonk de beide vorsten toe die straks Noch streden. Siegmond gaf de vredehand Aan Erik, toen Wodan hun beider komst Gewenst verklaard had om hun dapperheid: De toekomst kon licht kracht van spieren eisen.

Sluiten