Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar stil van geestdrift zat daar Bernlef voor Zich heen te kijken; 't was of daar 'en snaar In hem geroerd was, en hij staarde maar Naar 't tokk'len in die snaren; hij genoot Van elk akkoord door hem zo voorgevoeld En dronk dan weer schier onbewust, maar dof Werd alles gaandeweg in hem en andren En luider klonk 't geluid van dronkenschap.

In maneschijn — 'en lauwe Meinacht was 't —

Bernlef en Fin in 't sprookjesachtig duinbos.

En de eerste dweepte van die dichter en

Z'n wonderlied. Hij wou 't ook leren en

Dan liedren zingen voor dat lieve kind

Dat hun geschonken had. »Wat ogen hè?

Wat blankheid, wat 'en houding 1" — »Vraag haar dan,

Rijk ben je, bied haar vader vee en word

Haar man!" —»Waarachtig, 'k doe het, maar wanneer

'En ander mij 'is voor was — nee, dat nooit 1

Dat zou 'k niet dulden" en het klonk zo schril

De Meinacht door dat vogeltjes opvlogen

En even piepten; luider klonk z'n stem.

»Ik zal je helpen" zei hem Fin: het lukt wel!

Nu, ik moet scheiden, 'k woon noch ver van hier." —

En Bernlef wandelde naar huis en riep

Luid dwepend: »Ava!" daar blaften de honden

Sluiten