Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En in eikaars geweldige armen volgt 'En worstling, dat de zee door 't zand,

Bij 't schuiflen opgewoeld, vuil geel wordt; lang, Lang duurt hun strijden en het water klimt.

Bijna tot aan de middel staan ze in zee;

Daar heft de Dichtergod z'n vijand op En smakt hem op de watervlakte, grijpt Z'n schild van achter zich, van 't duin, en beukt Daarmee op Tjazi's kop tot hij bewustloos Daarheendrijft, golven spoelen langs z'n borst. Het water staat, en daalt daarna heel langzaam, De storm wordt wind en luwt heel langzaam ook En eindlik, eindlik wordt het zand om hem Weer zichtbaar; ginds noch zien de reuzen om, Heel schuw soms steekt 'en grovve vuist hoog uit Hij ziet het door 'en waas, maar dan ook valt Hij neer, waar 't zand noch droog is; doffe slaap

Valt over hem en droomloos ligt hij daar.

»

De storm bedaarde, 't water rolde weer Als vroeger aan in brandingsgolven, maar Ze bleven ver en waren hem muziek Toen moeheids slaap in de echte overging.

Maar Balder's zonnewagen zonk al lang In 't rijk van Aegir neer, waar Nanna hem In vaders rijk verwelkomde en glans

Sluiten