Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Z'n moeheid en nadenken leerden hem,

't Was werklik waar; doch ver was nu z'n vijand; Ginds bruiste als altijd branding ver van hem. Daar liep hij heen; hij moest z'n tegenstander Daar vinden; — nergens echter vond hij hem. Het water schuimde aan en zware golven Braken in dof gebruis op brede borst;

De zwaarste keerde hij de rug nu toe:

Ze rolden hem langs schouders, hals en hoofd. 'En ongekende frisheid voelde hij;

Versterkend, spierontspannend was het bad En luid riep hij z'n vijand toe: »kom op!«

Maar uit het water klonk slechts wraakgebrul En verder kon hij niet door golvekracht. Ontmoedigd maar lichaamlik sterk liet hij Zich op het Westerkoeltje huiswaarts zweven.

Smiddags was Bragi niet gekomen, leeg Bleef 't bankje waar hij aanzat, anders; nu, 't Gebeurde meer, dat hij bij 't dwalen 't maal Vergat, vooral nu zoele Meimaandlucht Wazemde in 't groene bos, geurde uit de bloem, Die schril van kleur lichtte in de dunne schaduw, Nu luider, luider klonk het voorjaarslied En alles zocht z'n blijheid te verklanken. Hoe vaak had hij z'n tijd verdroomd en was,

Sluiten