Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hier om de vennen had gestoeid,» zo — hand In hand, met ernstig oog, gebogen 't hoofd — Dachten zij beiden bij dit dierbaar lijk. En Gunlod babbelde niet meer, ook Hagen Zag angstig naar z'n ouders op; hij trok Z'n zusje mee, ze gingen bloemen plukken En kwamen, bosgeur in hun haar, terug Met grote bonte ruikers, Grootmoe zou Ze hebben, als zij wakker werd. Wat sliep Ze lang; wat was ze bleek en — hu, wat koud Was toch die wang! Idoena nam de bloemen En lei ze neer bij Grootmoe's hoofd en in Haar hand. De kinders gingen heen om meer Te halen, hun gebabbel flauwde allengs. Hoe stil toch! Hoor, er naadren mensen, Stemmen en stappen. Weg, onzichtbaar werd Het Godenpaar. Daar kwamen mannen aan, De spaden mee, ze zwegen bij het lijk,

In stilt verbaasd wie of haar bloemen bracht, Maar 't niet uitsprekend: Bragi's moeder was 'En halve Godheid. Haastig werkten ze En in de kuil bij 't ven droegen ze stil, Voorzichtig de oude vrouw, zoals ze was — De bloemen vielen bij 't verdragen neer; Ze namen ze op en leien ze op hun plaats, Toen wierpen zij er aarde overheen

Sluiten