Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen klonk z'n stem daar weer doorheen en 'k voelde

Dat zachte handje aaien langs m'n wang:

Ik zweeg en hoorde nu, dat vrije mannen

Gelovende aan Walhalla's heilig rijk

De priester en z'n volgelingen in 'en duinkom

Gelokt en daar vernietigd hadden, velen,

Helaas 1 ook Bernlef's vader, d'eenge zoon,

Waarop ik hoopte voor m'n ouderdom,

En velen van ons volk; de rest, gevlucht

Naar ons dal, werd daar achtervolgd en was

Gedood in woeste strijd. Ze lagen daar,

Zei Bernlef, alles zag hij uit 'en boom

Waar niemand hem gezien had in het lommer.

Nu, zei hij, was het weggaanstijd, hij zou

Me met zijn hand wel leiden, Grootpa moest

Hem maar vertrouwen; hij was dapper! Ik

Stond op, noch duizelig; 'en lijkelucht

Verpestte 't huis, de hele streek en 't zoel

Meiwindje woei ons geen veldgeuren toe.

Ik strompelde, ik viel, ik wist noch niet,

Hoe blinden moeten lopen, de ogen deden

Mij erge pijn en 'k zat soms aan de weg

Te huilen als 'en kind, maar opgewekt

Kwam Bernlef mij van alles dan vertellen.

Zo sukkelden wij voort en goeie gaven

Deden ons 't leven houden; voort! al voort!

Sluiten