Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In 't huisje in duin, o waarom toch dat Noodlot,

Dat hem verbood z'n vrind te redden uit

De nood ? Waarom dat tergend wijken voor

Die macht; dat zwijgen van die toekomst,

Dat vreeslik einde, strijd zonder veel hoop,

Strijd om 't bestaan, dit klaaglike, te rekken,

Waarvoor zijn lied weerklinken moest, met weerzin

Gezongen zelfs; hij werd al somberder

Daar onder 't stil gesterte boven 't veld

Waar geen geluid z'n binnenstem verdrong.

Hij snikte 't uit: »Och, was ik maar geen GodU

Daar wuifde iets om hem, 't kreeg gestalte in 't licht

Van maans dun sikkeltje; wit-wazig; donker

Zagen hem de oude trouwe ogen aan:

»Vind ik je hier zo somber, Bragi, kun

Je niet alleen meer zijn? Waarom alléén

Dan naar je vrind te gaan, zover van mij ?

Ik voelde dat er iets gebeuren zou,

Da' 'k bij je zijn moest, maar zo erg! Wat is er?«

En toen ze de armen om z'n hals sloeg, zei

Hij tot Idoena 't moedloos trillen van

Die sombre vragen in hem, heel z'n matheid.

En zij, ze zweeg en zei alleen: »M'n Bragi!«

Zë overwoog lang 't woord in 't binnenste,

Maar kalmte ging er van haar uit als van

De vloksneeuw die geruisloos valt en valt

Sluiten