Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat als herfstnevel om z'n denken lag.

Aan niemand zei hij iets van wat hij zag,

Niemand dan Bernlef, toen ze savonds eens

Van Homme Sietses kwamen, saam alleen.

Op 't landschap lag dë avondrust, in dauw

Graasde 't gemolken vee, uit sloten steeg

De lichte dauwrook; enkle mannen gingen

Naar huis; er klonken avondgroeten soms

En stil was 't dan weer onder 't hoog gewelf,

Dat achter hun in koud-rood streeprig lichtte.

Toen zei hij wat hij zag; de jonge hoorde

En vroeg en hoorde weer en zag nieuwsgierig

Al om zich heen of er niet iets gebeurde ;

Want nu zou 't komen: werelds eind en Walhals.

Ook de oude vroeg hem of 't noch was als vroeger,

Maar 't bleef 'en stille, herfstig-killë avond

En telkens weer, zelfs meermaals op één dag

Vroeg Bernlef aan z'n kleinzoon hoe het leek,

Maar 't antwoord was: »'t Wordt regenachtig, t waait,

De zon schijnt weinig, maar 't is net als altijd

Er is geen zier verschil bij de oude herfst!

En 't vragen werd zo dringend niet; hij wachtte

En kreeg al wachtend weer z'n oude rust,

Rust in de drukte van dat woelig'huis.

't Vee stond op stal; de kinders speelden binnen

En oorverdovend soms was hun gedruis;

Sluiten