Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En van het westen zweefde rood van haar

Met vuurlichtglans God Lokë aan, hij was

'En rood omrande wolk gelijk. Geruisloos

Ging hij op 't water; daar stak Tjazi juist

Z'n ruige kop en rechter spierarm op

Om post te vatten voor Njord's golverijk.

De hand boven z'n ogen zag hij naar

Die westergloed, maar Loke zag hij niet —

Eén stoot en Loke had z'n tijdlik leed

Gewroken, toen Idoena was gestolen

En Sigyn lijden moest van ouderdom.

Gestraft was wie hem vloeken dorst, hem, Loke!

Hij lachte: Tjazi stortte brullend neer

En 't brullen klonk hier duidlik in de hoeve.

Het was de storm, zo dachten allen; Bernlef

Sidderde vreeslik: waar bleef Godetrouw

Als Donar's vrijspraak niet meer hielp, als wraak

Oneedle wraak jaren en jaren noch

In Godeharten leefde; nu kwam 't einde

Het was hem of nu alle banden braken:

Hij huiverde. Angst trilde in allen, want

De storm nam toe, gebrul, gebulder deed

De wanden dreunen; Bernlef zag het: daar

Rezen de reuzen uit de diepten op

En stieten wilde kreten uit: »Te wapen

En, als de Goden niet te straffen zijn, dan 't mensdom,

Sluiten