Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hun vrinden: wraak, wraak, wraak!« 'En vreemd geluid

Geblèèr van schapen of 'en wolf hun joeg

Tot voor de hoeve en in de stilten klonk

Geklots van water, 't Waaien luwde soms

En duidlik klonk geblèèr, geklots dooreen!

Ontzetting greep hun allen aan, dat was

De zee die aan kwam spoelen om hun terp.

De boer rukte aan de deur, de schapen drongen

't Vertrek in, 't luid geblaat deed al de kinders

Ontwaken: 't was 'en drukte: sommigen

Dreven de schapen roepend naar de stal

En moeders stem bracht kalmte onder de kleinen.

Deddo en Bernlef mochten nu wel mee

Naar buiten, Aukje bleef bij moeder op

De kleintjes passen als 't gevaar eens groeide.

Daar buiten bruiste 't voort in maanlichtglans,

En troebel vielen schuim'ge baren stuk.

Daar ginds de loodlucht afzakkend in 't Oosten.

In 't water dreven klonters natte sneeuw.

Zo zagen ze uit de schuurluwt 't rustloos rollen :

Heel de omtrek overstroomd en doods; hier dreef

'En huiswrak langs, ginds worstelde 'en koe.

En soms was 't Hedzer of hij hoorde en kreet

En allen om hem luisterden en hoorden 't:

Bernlef alleen wist, wie om wraak daar riepen.

Hij zei 't niet, want waar bleef 't geloof aan Goden,

Sluiten