Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Z'n witte baard golfde tot aan z'n midden.

Hij sprak van 't nieuw geloof, dat deez' jonkman Hierheen bracht voor wie luistren wilden ; zij Hadden er naar gehoord, zij vonden 't wijsheid, Waard ook tot hun te komen, deed het leed ook Dat de oude Wodansdienst ervoor verbleekte. Mischien was onder allen echter één,

Die Wodan kon verheffen boven hem,

Die deez' jonkman God noemde.

Zie, hij trad

Dichter aan de oever, 'n blos op 't jong gezicht

En alles zweeg in 't rond, ze zagen maar

Naar hem, en niets dan hem weldra; 'en sprookje

Klonk 't leven van dat kind in Betlehem, de ster,

Drie koningen, z'n tocht door de woestijn,

Z'n leringen, z'n strijd met wetgeleerden ....

En 't ritselkoeltje door de dennen of

Geschrei van 'n kindje, gauw gesust, klonk soms

Er tussen, ginds pinkte in de stilte 'en vink,

Nu dichter bij, dan verder af, tot wat

Geritsel van 'en takje en 't beestje vloog

Naar verdre bomen; over 't water tipten

Zwaluwen soms met tjipperend geluid,

Of recht als 'n zwarte steen snorde er 'en spreeuw,

Stro in de bek, tussen de sprekende en

't Gehoor ; maar aller aandacht bleef hem bij,

Sluiten