Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nu is mij na, wie niemand ontkomt.

Weg m'n geloof, weg m'n geluk,

Weg m'n illuzie, weg is m'n liefde:

Wodan, de wereld weldoend en koestrend,

Ernst in z'n open in-rustig oog;

Donar, verdrijver van d'aardse plagen,

Goedig en gul en groot van gemoed,

Balder de blinkende, Bragi de zanger,

Frig en Freia, de friss' en de grijze

Godinnen, die dienden wie derfde geluk,

Holda en Hilda, de heerlike vrouwen

Die zweefden op zwaanwiek naar 't zorgvolle slagveld,

Weg zijn ze, weg! Wie ziet ze weer?

Er bleef na Balder's bloedige dood

Geen ruimte in het ruim voor 't rijk van Walhalla

't Week eer het werd verwoest door belagers

Ik zag dat alles met ogen eens zieners —

Maar zie! Wie zweeft daar zonnig nader?«

De wanhoopstrekken werden effen, wijd

Stond noch de mond hem open, maar die sloot

Zich gaandeweg en rust kwam over hem.

Zo zweeft het licht langs 't wild voortbruisend meer,

Dat zwartbruin afstak tegen 't witte schuim

En 't loodgrauw zwerk daarboven; over 't gras

Glijdt lichtgloed voort, snel licht het water aan,

»

Sluiten