Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

methode geeft ons aanleiding haar wal uitvoeriger te bespreken. Zooals reeds § 16 is opgemerkt wordt hierbij de voorbouw slechts tot het noodzakelijkste beperkt ten einde de nadeelen van de korte pijlers gedeeltelijk op te heffen.

Men begint van twee opeenvolgende dwarsgalerijen uit met het maken van twee grondgalerijen als grenzen der étage, waarvan dus de eene als vervoer- de andere als luchtgalerij voor die étage dienst doet. Deze galerijen worden al naar de samenstelling der laag hetzij als tweelingsgalerijen gedreven, hetzij met breed front en opvulsel als luchtscheiding (§ 137). De vlakke hoogte der étages is natuurlijk van verschillende zaken afhankelijk, men gaat echter zelden boven 200 M. en neemt ze liefst veel kleiner b. v. 100 a 120 M. en zelfs tot 50 M. toe. Om de 100 a 400 M. wordt een hellende galerij ter verbinding der heide grondgalerijen gemaakt, die genoegzame breedte verkrijgt om later als remvlak te kunnen worden ingericht. De tusschen zulke remvlakken besloten laaggedeelten noemt men afbouwvelden (§ 5); bij sterk gestoorde en verworpen lagen is het zaak eerst de plaats dier verwerpingen door middel der grondgalerijen te leeren kennen en daaruit de breedte der afbouwvelden op te maken (!). Komt men aan zulk een verwerping zoo kan deze van dien aard zijn dat men tevens het ontginningsveld (§ 5) aldaar moet beëindigen, wat uit een voorloopig onderzoek moet blijken. Is de verwerping minder groot, maar worden de tot het aantreffen van het verworpen laaggedeelte noodige galerijen toch vrij lang en duur, zoo worden de beide grondgalerijen, indien het eenigszins mogelijk is, daarin enkel en met de strikt noodige breedte gedreven, liefst zóó dat de bovenste het eerst in bet verworpen stuk aankomt; dan wordt een hellende galerij dalend gedreven, en kan men het werk in dier voege regelen dat deze en de onderste dwarsgalerij gelijktijdig beëindigd zijn, zoodat na de ontmoeting de verdere voorbereidingswerken onmiddellijk met de luchtgalerij in verbinding kunnen gebracht worden en het nieuwe afbouwveld van versche lucht voorzien is. De later te drijven werkgalerijen worden dan niet door de verwerping voortgezet, wat tot aanzienlijke besparingen van tijd en geld kan aanleiding geven. Bij kleine sprongen en verwerpingen doet men dit niet en worden alle galerijen, ook de werkgalerijen door dien sprong heen doorgezet. Tot zoover dus de eigenlijke voorbouw.

Waar de vlakke hoogte eener étage zeer groot is b. v. bij weinig hellende lagen, verdeelt men de verdieping wel door tusscliengalerijen in eenige

(') Deze bepaling is eigenlijk alleen Tan toepassing op den afbouw van éénvleugelige remvlakken (§ 19); bij de tweevleugelige neemt men aan dat hel remvlak in het midden van een afbouwveld is geplaatst of liever, waar b. v. twee aangrenzende velden A en B respectievelijk begrensd worden door de remvlakken a—b en b—c, zegt men dal het afbouwveld van b begint in het midden A en eindigt in hel iniduen van 8.

Sluiten