Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men de grens op uiterlijk 15° aannemen; evenwel is de laatste werkwijze overal aanwendbaar. Bij strijkende strooken gaat de afbouw dan van het remvlak uit gelijktijdig naar weerszijden, bij hellende strooken van de gronden tusschengalerijen (fig. 286 en 287).

De grondgalerijen kan men öf als tweelingsgalerijen drijven, waarbij dan het tusschengelegen mineraal als veiligheidspijler tol aan het einde van de naast onderliggende afbouwvelden blijft staan, öf dezelfde breedte als de strooken geven en over het geheel als zoodanig afbouwen; het laatste geeft minder verlies aan mineraal, maar kan aanleiding geven tot veel onderhoud van de hoofdgalerijen door de drukking van het hangende. De remvlakken worden bijna altijd met een loopweg aan weerszijden voorzien en, omdat zij langen tijd moeten open blijven, de tusschengelegen pijlers eerst op het laatst afgebouwd.

Daar in den regel de ontginning van een veld, ter onderscheiding met den pijlerbouw, van beneden naar boven voortgaat, aangezien men heeft opgemerkt dat de drukking zich dan meer gelijkmatig doel gevoelen, verdeelt men veelal de vlakke hoogte van het albouwveld in onderafdeelingen van 60—100 M. en vangt dan met de bovenste aan, waardoor hel remvlak van lieverlede korter wordt, en er meer kans is de daaromheen staande kolenpijlers te winnen. Deze tusschengalerijen worden geheel op dezelide wijze als de grondgalerijen gedreven.

In elke strook wordt dus een weg voor den afvoer in het opvulsel uitgespaard, die echter dadelijk na den afbouw der strook buiten dienst wordt gesteld. Vooral bij hellende strooken wordt de drukking van het dak spoedig van dien aard, dat de kool dikwijls reeds zonder schieten kan worden gewonnen, daarmede hangt echter samen, dat de lengte dier strooken niet te groot kan worden. Bij strijkende strooken kan men veel verder gaan en zelfs tot 200 M. bereiken. Aan een zorgvuldige verpakking van het opvulsel moet echter de meeste zorg worden besteed, daar hiervan het gelukken der methode in hooge mate afhangt.

Ten einde de drukking meer gelijkelijk te verdeelen wordt het opvulsel gewoonlijk aan beide kanten der strook tot een drogen muur opgestapeld, waarvoor dan de grootste stukken worden uitgekozen. Is de hoeveelheid er van daartoe niet voldoende en ander gesteente b. v. uit het drijven van dwarsgalerijen niet goed te bekomen, zoo zet men hier en daar »kasten" van hout, die met de kleinere slukken worden opgevuld en deze opgesloten houden (zie ook § 59). De breedte dezer muren hangt natuurlijk van die der strooken en dus ook van de hoedanigheid van het dak en van de laagdikte af; men geve echter in geen geval minder dan l/10, liefst l/5 der strookbreedle.

Sluiten