Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en van boven uieest met een handvat voorzien. De hoek tusschen steel en blad is meer of minder stomp, al naar de gewoonte der arbeiders.

Voor hardere massa's is meer de krabber (fig. 119) in gebruik; het blad is korter dan dat van de schop en van onder meest wat hol, doch ook recht. De hals slaat hier bijna loodrecht op het blad.

Terwijl de schop dient om het materiaal naar hooger gelegen punten te verplaatsen (b v. in de wagens te brengen), wordt dit met den krabber alleen horizontaal of onder een geringe helling weggetrokken, om het op die wijze in een trog of mandje te verzamelen. De eerste is van hout of dun plaatijzer, hetzij van binnen rond (vooral bij hout) hetzij parallelopipedisch van vorm; in elk geval zijn de troggen met handvatten voorzien. Dit laatste is dikwijls niet het geval met de mandjes, die van verschillend materiaal worden gevlochten, veel lichter en goedkooper zijn, maar ook veel spoediger defect raken. Niet zelden is bij zulke mandjes één zijde geheel open.

In plaats van den krabber wordt ook wel de hark gebezigd, die in plaats van een blad vier tot zes ijzeren landen bezit; overigens wijkt de inrichting niet af van genoemd werktuig.

E. WERKTUIGEN BIJ HET INRRENGEN DER VERZEKERING.

§ Ê2S. BIJLEN, WATERPAS. Zooals reeds § 91 en 118 is opgemerkt worden de sluiten bij den afbouw en de eenvoudige houten verzekeringen in de ontginningsgalerijen niet zelden door de mijnwerkers zelf aangebracht. Het rondhont wordt daarbij in de lengte gewoonlijk niet bekapt, doch alleen van de schors ontdaan en men behoeft dus alleen de lengte voor het beoogde doel geschikt te maken. Dit geschiedt met de bijl, welker vorm in de verschillende streken niet dezelfde is; de verschillende soorten zijn overigens dezelfde die bij gewone houthakkers in gebruik zijn.

Behalve duimstok, winkelhaak en potlood tot hel afschrijven der verbindingen is dikwijls nog een houlen waterpas (fig. 137) noodzakelijk, b. v. waar een geul voor den waterafvoer moet uitgehouwen worden. De inrichting is bekend, en behoeft hier niet verder beschreven te worden (zie ook § 293).

Sluiten