Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het geschiedt meest met de gewone mijnlamp. De onderzoeker (in Duitschland «vuurman" genoemd) begeeft zich in de verdachte ruimte en heweegt de lamp, waarvan de pit klein gemaakt is, (3 idM.) zeer langzaam van beneden naar boven. Is er werkelijk een ontplofbaar mengsel aanwezig, zoo zal dit zich steeds in de bovenste lagen verzamelen en dus b. v. op de plaats A (fig. 174) het eerst merkbaar worden.

Nemen wij aan dat de in fig. 175 afgebeelde Müseler-lamp gebruikt wordt; de kenteekenen die moeten worden waargenomen zijn dan tweeërlei: le. de verlenging van de vlam, en 2e. het verschijnen van een blauwen krans om de vlam.

Bij een gehalte van 0.75% aan mijngas in de lucht is de verlenging

1—2 mM., bij 1.5% 3—4 mM„ bij 3% stijgt de vlam tot in den

schoorsteen en bij 4% dringt zij daarin 10—15 mM. door.

Om den blauwen krans te zien verbergt men, door er de linkerhand vóór te houden, de gele olievlam; de krans is dan 6—7 mM. hoog bij een gehalte van 2%, 7—8 mM. bij 3% mijngas, bij 4% komt hij tot aan den rand van den schoorsteen, terwijl hij bij 6% de geheele basis daarvan omvat; bij 7% gaat de lamp uit.

In andere mijnen wordt de gewone Davy-lamp voor het onderzoek gebruikt, waarbij men echter moet zorgen dat de luchtstroom slechts zwak is. Bij een gehalte aan 5% wordt dan de aanwezigheid merkbaar, bij 6% begint het mengsel te branden, bij 7% vult de blauwe krans de geheele lamp en hebben zwakke explosies plaats, bij 8%—12% worden deze heviger, bij 16%—20% wordt het gaas gloeiend, bij 30% gaat de lamp uit.

Is de proef op de plaats A (fig. 174) afgeloopen en de lamp weer langzaam naar beneden gebracht zoo gaat de onderzoeker voorzichtig eenige passen voorwaarts, steeds de lamp onder aan den bodem houdende, en herhaalt de proef b. v. bij B. Is de hoogte waarop gas wordt aangetroffen minder dan bij A, dan gaat men nog voorzichtiger een klein eind verder en doet de proef opnieuw. Bij eenige oefening bemerkt men spoedig tot hoever men gaan kan.

Hier en daar, vooral in Frankrijk, gebruikt men ook voor dit onderzoek de bijzonder daartoe ingerichte Pieler-lamp, die bijna geheel door een metalen huls omsloten is, welke aan het reservoir wordt vastgeklonken. Over de lengte is uit deze huls een reep gesneden en door een glazen plaat vervangen, waardoor men de hoogte van den krans of aureool kan waarnemen. Op de plaat is een verdeeling aangebracht zoodat men onmiddellijk bij de genoemde hoogte het gehalte aan mijngas kan aflezen.

Sluiten