Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

191 en 211). Door deze middelen ban men tevens vrij breede wagens bij betrekkelijk geringe spoorwijdte nemen, wat in de mijn dikwijls een voordeel is.

Is men genoodzaakt bij den afbouw lage wagens te gebruiken en deze tot aan de grondgalerij te brengen, zoo kan liet niet zelden raadzaam zijn het product aldaar in grootere wagens om te laden (§ 104). Men zorge dan de grondgalerij in dier voege aan te leggen dat de wagens uit den afbouw op zekere hoogte boven den vloer dezer galerij uitkomen, zoodat de grootere wagens er onder kunnen staan. Eerstgenoemde wagens worden dan hetzij met draaibare en van onder openslaande deuren voorzien, of op een onderstel geplaatst zoodat zij kunnen omgeslagen worden (wipwagens) waardoor het ledigen gemakkelijk plaats vindt. De speciale inrichting waardoor dit mogelijk wordt is op verschillende wijzen uitgevoerd.

Een laatste belangrijk punt is nog het gewicht van den wagen of liever de verhouding lusschen dit gewicht (de doode last) en dat van het in te laden product (de nuttige last); het spreekt van zelf dat het streven moet zijn die verhouding zoo klein mogelijk te maken zonder den wagen de noodige stevigheid te doen verliezen. In het algemeen is de verhouding gunstiger voor groole dan voor kleine wagens eensdeels omdat men beneden een zeker minimum van wanddikte der kasten niet gaan kan en deze dikte niet evenredig toeneemt met de grootte van den wagen, en ten andere omdat het gewicht van het onderstuk, wielen en assen, onverschillig van de grootte van den wagen binnen nauwe grenzen beperkt blijft en dus meer drukt op kleine dan op groote wagens.

De gunstigste verhouding kan op 0.50 worden aangenomen; gewoonlijk vindt men eene van 0.40—0.50, doch komen ook ongunstiger verhoudingen voor, vooral indien de nuttige last minder dan 500 KG. bedraagt, en de spoorwijdte vrij groot is zoodat het onderstuk een aanzienlijk gewicht heeft.

B. DE TRANSPORTMIDDELEN.

1. Mensehen en «lieren.

§ Ê90. LENGTE DER BAAN; SNELHEID VAN AFVOER; TE VERPLAATSEN LAST. De oudste wijze van afvoer is die door de werklieden zelf, en bij kleine afstanden en in sterk gekronkelde grondgalerijen wordt zij ook nu nog algemeen toegepast. Met het duurder worden van den menschelijken arbeid en de groote uitbreiding, die de mijnwerken in de laatste helft van de 19de eeuw hebben verkregen, is men begonnen trekdieren, en wel bijna uitsluitend paarden, in de mijn te brengen.

MIJNONTGINNING. 14

Sluiten