Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der rollen, terwijl de assen 2—5 cM. dik zijn. Deze maten gelden echter alleen voor de gewone rollen die tusschen de rails zijn aangebracht.

De afstand der rollen varieert meestal tusschen 6 en 8 Meter voor zooveel de enkelwerkende methoden betreft; boe hooger de rol staat, boe meer de kabel kan doorbuigen zonder den grond te raken en hoe grooter dus de afstand der rollen kan worden genomen. Bij den kabel zonder eind, die steeds gespannen blijft kan de ovengenoemde afstand grooter zijn, en neemt men gewoonlijk 15—20 Meter.

Aan de uiteinden der baan, waar de kabels betzij over de schijven loopen, hetzij op de trommels der machine worden gebracht, moet de kabel een grootere zijdelingsche uitwijking kunnen verkrijgen; de rollen worden dan breeder gemaakt, of los op lange vaste assen bevestigd.

Bij de methode met voor- en achterkabel (§ 173) en ook bij de methode van § 176 wordt de kabel voor een gedeelte buiten de rails geleid, en blijft deze daar steeds in dezelfde richting over de rollen loopen. Deze laatste behoeven dan slechts een breedte te hebben voldoende om een eventueel voorkomende kabelverbinding (of -lassching) door te laten. Een dergelijke leiding kan ook op den bodem geschieden, en dan zelfs desverkiezende tusschen de rails naast de hoofdleiding worden aangebracht, öf de kusscnblokken der lollen kunnen aan een der zijwanden of aan het dak der galerij worden opgehangen. Deze laatste methode heeft echter het nadeel van mindere stabiliteit, terwijl bij een kabelbreuk een groot stuk van den kabel aan beide zijden op den grond valt, en slechts zeer moeilijk de einden weer aan elkaar te krijgen zijn.

Hel is een der bezwaren tegen het machinaal vervoer dat een ontsporing der wagens meer te vreezen is, en gemakkelijk een kabelbreuk of een defect aan de machine kan teweeg brengen. De haan dient dus met de meeste zorgvuldigheid gelegd te worden niet alleen, maar vooral in krommingen en liefst ook bier en daar in de langere rechte baanstukken een inrichting gemaakt te worden om de gedérailleerde wagens spoedig en uit zich zelf weer op de rails te brengen.

Deze inrichting kan als volgt zijn gemaakt: aan de buitenzijden der rails en op dezelfde hoogte liggen planken, terwijl aan de binnenzijden op onderling gelijke afstanden rechthoekige houten dwangrails zijn aangebracht, die boven de eigenlijke rails ongeveer 8 cM. uitsteken. Deze dwangrails zijn enkele Meters lang en loopen daarna naar beide zijden toe, zoodat zij in het midden der baan bij elkaar komen. Is nu een wagen ontspoord zoo loopen twee deiwielen op de planken, terwijl de andere na korten tijd tegen het schuine

Sluiten