Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij het machinaal transport in de mijn verkeert men in een eigenaardigen toestand. Gaat dit vervoer direct tot aan de oppervlakte (door stollen of vlakhellende putten) zoo is er natuurlijk dikwijls geen hezwaar het voordeeligste geval te nemen en kracht- en arheidsmachine te combineeren en buiten de mijn vlak bij den ketel op te stellen. Anders is het echter indien het transport slechts tot aan den vertikalen opvoerput reikt. iMen kan dan : I. de gecombineerde kracht- en arbeidsmachine in de mijn, en den ketel in de mijn plaatsen;

II. de gecombineerde kracht- en arbeidsmachine in de mijn, en den ketel builen de mijn plaatsen;

III. de gecombineerde kracht- en arbeidsmachine buiten de mijn, en den ketel buiten de mijn plaatsen;

IV. kracbtmachine en ketel buiten de mijn, en de arbeidsmachine in de mijn plaatsen.

Elk dier methoden is werkelijk toegepast en bezit hare voor-en nadeelen; wij merken nog op dat bij het gebruik van samengeperste lucht wel is waar schijnbaar de stoomketel wegvalt, maar daarvoor een compressor en de daarmede verbonden stoommachine benevens een reservoir in de plaats treedt, dus de aanleg zeer duur is.

Het opstellen van de stoomketels in de mijn is natuurlijk alleen dan mogelijk, indien de daarmede onafscheidelijk verbonden vuren geen gevaar opleveren, maar zij kunnen dan ook ter versterking der ventilatie, bij wijze van luchtovens zeer nuttig werken. De ruimte voor die ketels en de daarmede verbonden krachtmachine is echter vrij groot, zoodat het uitbreken er van niet altijd raadzaam zal zijn, terwijl dikwijls daarenboven het ketelwater afzonderlijk van de oppervlakte zal moeten worden aangebracht, zijnde het water uit de mijn voor dergelijke doeleinden in den regel minder geschikt.

De methode I zal daarom slechts zelden worden toegepast, en waar men tot een gecombineerde kracht-arbeidsmacbine wenscht over te gaan, verdient een der methoden II of III gewoonlijk de voorkeur.

Bij III gaan dan de kabels direct van de machine aan de oppervlakte uit, en loopen door den put naar de afvoergalerij. Met de lengte dier overbrenging nemen de weerstanden (door de geleiding) en ook de slijtage van den kabel toe. Daar de machinist geheel van het eigenlijke vervoer is afgezonderd is een bijzonder goede signaalinrichting noodig. In den regel wordt in den put een kleine afdeeling speciaal voor den kabel gereserveerd, of deze wordt door houten goten geleid; natuurlijk moeten zoowel boven als beneden kabelschijven voorhanden zijn.

MIJSOKTCIRWKG. |g

Sluiten