Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tusschen S en K wordt een dubbel hol uitgesneden reep hout p geplaatst.

Een soortgelijke wijze van verbinden wordt ook wel bij platte kabels toegepast, doch is zij hier minder aan te bevelen omdat de ondervinding leert dat de vouw dan zeer aan breking onderhevig is.

Van tijd tot tijd kapt men het ondereinde van den kabel af (b. v. over een lengte van 2 Meter) en maakt een nieuwe verbinding (§ 189).

§ 195. HET ONDERHOUD DER KABELS. Het onderhoud der kabels vormt een belangrijk gedeelte van den opvoer.

Ten einde het roesten tegen te gaan worden zij geleerd of met vet ingesmeerd. Het laatste is beter omdat men daardoor de oppervlakle blank laat en dus voorkomende gebreken gemakkelijker kan opmerken (§ 191).

Deze invetting moet minstens elke week plaats hebben.

Eiken dag moeten de kabels zorgvuldig worden nagezien vóór het begin van den arbeid ; zij worden daartoe zeer langzaam van de machine afgewikkeld. Daar het eenige oefening vereischt om, vooral bij een staaldraadkabel kleine scheuren of andere gebreken niet over het hoofd te zien, wordt dit nazien bij voorkeur aan een of twee bepaalde personen opgedragen.

Heeft men, wat op groote of zeer afgelegen mijnen noodzakelijk is, steeds iemand tot zijn beschikking, die de reparatiën aan den kabel als zaakkundige kan uitvoeren, zoo verdient het aanbeveling dezen ook het vorenbedoelde dagelijksche onderzoek op te dragen.

E. KABELSCHIJF ES BOK.

§ £96. Ten einde de kooi te kunnen op- en neerlaten moet de kabel een steunpunt hebben juist boven bet midden der ruimte, die in den put voor de kooi is gereserveerd. Dit wordt verkregen door de zoogenaamde kabelschijf die voor platte kabels in doorsnede den vorm van fig. 203, voor ronde die van fig. 204 vertoont, en waarover de kabel loopt alvorens naar de machine te gaan (fig. 192, 202). De lijn getrokken van den bovenkant der schijf naar de plaats waar de kabel op de machine wordt gewikkeld, moet dus juist liggen in bet vlak van de schijf zelf, omdat anders de kooi zou gaan draaien en de geleiding niet meer lot haar recht zou komen (§ 200).

De schijf moet een groote middellijn hebben, daar de kabel door zijn betrekkelijke stramheid slechts in een ilauwe bocht over de schijf mag loopen om gevaar voor breken te voorkomen. Men neemt liefst 4 M. voor aloëkabels en B a 6 M. voor die van metaaldraad.

Sluiten