Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij de eerste bezigt men de z. g. bobines waarvan de inrichting uit de schetsen fig. 186 wel duidelijk zal zijn.

De kern wordt van gietijzer gemaakt en de kabel legt zich in windingen boven elkaar tusschen de houten armen, die naar boven toe een weinig uiteenloopen, ten einde den kabel, die altijd in een trillende beweging is, beter te kunnen opvangen.

Bij het begin van den opvoer van de volle kooi is de kabel geheel a/gewonden, dus de last bet grootst, de hefboomsarm (de afstand van de middellijn van de kern lot de onderste winding) het kleinst.

Is de kooi boven gekomen zoo is integendeel de last het kleinst en de hefboomsarm, daar de kabel geheel omgewonden is, het grootst. De besteede arbeid kan dus op deze wijze door het geven van doelmatige afmetingen theoretisch steeds even groot zijn.

Wordt een verjongde kabel (§ 193) gebezigd zoo is de speelruimte tusschen dezen en het einde van de bobinearmen vrij groot en kunnen licht klemmingen tusschen de kabelwindingen voorkomen.

Bij ronde kabels wordt het boven aangegeven middel weinig toegepast omdat zij door het opwinden om zich zelf veel te lijden hebben en spoedig hun ronden vorm verliezen.

Men gebruikt dan wel spiraaltrommels (fig. 212) waarbij het verschil in hefboomsarmen niet meer afhangt van de dikte van den kabel maar van den spoed der spiraal. Theoretisch is deze methode zeker de beste, doch de goede constructie dezer trommels is zeer moeilijk en men behelpt zich daarom gewoonlijk met conische trommels (fig. 213), waarmede men echter, daar de helling van de kegels, om het afglijden van den kabel te verhinderen, niet willekeurig kan vermeerderd worden, de besteede arbeid niet zoo zuiver gelijk kan maken als bij de eerstbeschreven soort.

Men heeft de oplossing der aangegeven moeilijkheid ook in een geheel andere richting gezocht en gedeeltelijk gevonden, en om hare eenvoudigheid mag zij hier tevens een plaats vinden. Zij bestaat alleen daarin dat de kabels door de kooi heenloopen en dus, om zoo te zeggen, onderaan elk der beide kooien een der uiteinden van een anderen even dikken kabel wordt bevestigd, die juist zoo lang is als de diepte van den put bedraagt en onder in den put over een spanschijf loopt. Daardoor blijft het gewicht van den kabel aan beide zijden constant en alleen nog het verschil in gewicht van volle en ledige wagens, dus de nuttige last, bestaan welke echter ten minste bij diepe putten zeer klein is in vergelijking van het kabelgewicht. Een nadeel is dat de doode last zeer wordt vermeerderd. Deze inrichting van Köpe is op verschillende

Sluiten