Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn, is dit met hunne onderaardsche uitgestrektheid gewoonlijk niet het geval, en moet men dus bij het drijven der galerijen in de nieuwe werken de meeste voorzichtigheid in acht nemen, ten einde geen plotselingen waterdoorbraak te krijgen.

De middelen, welke tegen dergelijke onvoorziene gevallen aangewend worden zullen behalve het laten slaan van veiligheidspijlers, c. q. het toepassen van het beschermingstype (§ 51) in hoofdstuk IX besproken worden; wij zullen ons hier bepalen tot die welke betrekking hebben op het verwijderen van het voortdurend doch in kleinere hoeveelheid doorsijpelende water.

B. DE AFVOER VA\ HET WATER IN DE MIJST.

§ 2Ê6. AFVOER VAN HET WATER IN DE GALERIJEN EN NAAR DEN PUT. Wij kunnen bij de waterloozing op soortgelijke wijze als bij het transport twee gedeelten onderscheiden: afvoer van het water uit de eigenlyke mijnwerken, en opvoer er van door den put.

Het eerstgenoemde beeft weinig bezwaar. Daar elke galerij, ook de zoogenaamd horizontale, een geringe helling bezit, zal het water reeds van zelf de laagste plaatsen opzoeken. In de werkgalerijen, die slechts een beperkten tijd openblijven, laat men het water gewoonlijk aan zijn lot over, en deze zijn dan ook meestal vrij slijkerig. In de grond-, lucht- en dwarsgalerijen daarentegen, waar zich het water uit de bovenliggende étages verzamelt, zou het door zijn grootere hoeveelheid dikwijls de ontginning hinderen, en wordt de vloer hetzij aan een der zijden, of in het midden nog zooveel verdiept, dat een goot van voldoenden inhoud ontstaat. Bij gescheurd of brokkelig gesteente of mineraal wordt deze met metselwerk of met cement bekleed, terwijl men nog de voorzorg gebruikt zoolang een étage of bouwveld nog niet afgebouwd is, onder de grondgalerij een strook mineraal te laten staan.

In de meeste mijnen wordt dit verzamelde water naar den waterput of pompput afgevoerd, waarin de pompen zijn opgesteld (§ 220), welke het naar de oppervlakte brengen.

Als algemeene regel is aan te geven dat elke étage zijn eigen waterzak dient te bezitten d. w. z. een reservoir van voldoende grootte om minstens al het water, dat in 24 uur van de étage afvloeit, te kunnen bevatten.

Werd het water van alle étages eenvoudig in den put geleid, zoo zou het zich beneden verzamelen, en dus de machine veel meer arbeid moeten verrichten dan nu een groot gedeelte er van eerst op zekere hoogte boven den putbodem aan de pompen wordt toegevoerd.

Sluiten