Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een neiging hebben om boven te blijven staan; behalve den gewonen mijnventilator zal men dus in den regel nog een extra-ventilatie benuttigen;

c. dat het transport der werklieden tijdroovender en hunne opstelling moeilijker is; deze laatste zal gedeeltelijk op een verplaatsbaar plankier moeten geschieden;

d. dat het hout voor de voorloopige betimmering van beneden naar boven moet worden opgevoerd, wat met eenige meerdere bezwaren zal gepaard gaan dan wanneer het van uit de putmonding wordt ingelaten;

e. de werklieden kunnen ongelukken krijgen door losrakend gesteente.

In het algemeen zal deze methode echter aangewend worden zoolang men met vast gesteente te doen heeft. Fig. 240 geeft een denkbeeld van de wijze van werken, die gewoonlijk wordt toegepast. De put wordt door planken beschotten in vier deelen verdeeld; In L L zijn de ladders geplaatst en wordt het houtwerk naar boven gebracht; AA en BB worden steeds gevuld gehouden met puin, waarvan de bovenzijde dient tot standplaats der werklieden, het te veel (§ 13) wordt door een schuif onder aan BB weggenomen, terwijl in A A de toevoerbuis is geplaatst voor de blazend ingebrachte lucht die bij C inkomt en door een vierde kleinere afdeeling achter L L wordt weggezogen.

Men neemt echter ook wel de in lig. 241 voorgestelde dispositie, waarbij het puin successievelijk op een aantal aan de afwisselende zijden geplaatste plankieren P valt.

Een geval dal bij mijnbouw niet zelden zal voorkomen is het verdiepen van den bestaanden mijnput. Het spreekt van zelf dat dit moet geschieden terwijl de ontginning en dus ook de opvoer en de waterloozing in vollen gang zijn, zoodat bijzondere voorzorgsmaatregelen noodzakelijk zijn om de arbeiders te beveiligen voor de ongelukken die in het in gebruik zijnde gedeelte van den put kunnen voorkomen, en om het water niet verder te doen dalen dan tot het oorspronkelijke niveau. Dit geschiedt door onder den put een gesteentepijler te laten staan en dus een zoogenaamden blinden pul af te diepen, d. w. z. zulk een die niet onmiddellijk aan de oppervlakte uitmondt, op de wijze als door fig. 242 wordt aangegeven. Deze pijler wordt tusschen 5 en 10 M. dik genomen en eerst doorbroken wanneer de blinde put tot de verlangde diepte geheel is voltooid. Zoo noodig wordt op den bodem van den bestaanden put een laag beton gestort om zeker te zijn dat het water niet doordringt.

Het werken geschiedt dus hier in den regel weer van boven naar beneden, tenzij men verkiezen mocht eerst in de afzeLting naar beneden te gaan met

Sluiten