Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Reed» bij het aanbrengen der putbekleeding moet derhalve rekening gehouden worden met de verdere inrichting. Wij hebben b. v. reeds opgemerkt, dat bij een bemetseling van den pul de openingen moeten worden uitgespaard, waarin later de balken enz. komen te liggen. Waar deze laatste dus moeten dienen om de geleiders der kooien aan te bevestigen, zorge men de genoemde openingen nauwkeurig vertikaal onder elkaar te maken.

In den pompput worden de balken, die niet zelden als fundament der pompen dienen (§ 229), reeds dadelijk ingemetseld, en moet daarvan dus de plaats van te voren bepaald worden. Met ijzeren ringen of bouten die hier en daar voorkomen is dit eveneens het geval.

Is een put met een houten verzekering voorzien, zoo wordt het verdere houtwerk aan de raambalken verbonden, en moet men er op letten deze laatste zoo weinig mogelijk te verzwakken. Het is echter niet onverschillig aan welke raambalken deze verbinding plaats vindt. Men heeft n. 1. de gewoonte, ook waar de ramen b. v. op 1 M. afstand staan, deze balken niet alle in de putwanden in le laten, maar dit slechts bij die ramen te doen, welke 2 of 4 M. van elkaar verwijderd zijn. Zulk een raam noemt men een draagkrans (§ 242). De tusschengelegen ramen slooten dan eenvoudig stomp aan het gesteente en worden daartegen door wiggen stevig bevestigd, terwijl zij rusten op verlikale raamstijlen en legen het bovenliggende raam resp. draagkrans door dergelijke nauwkeurig afgezaagde stijlen steunen.

De genoemde houtwerken verbindt men dus zooveel mogelijk alleen aan de draagkranzen daar deze de grootste zekerheid aanbieden.

De raamstijlen stooten koud tegen de raambalken; deze laatste worden door een eenvoudig halfverzonken inkeeping op of over elkaar gelegd. Verbindingen met schroefbouten worden niet aangewend.

Ter plaatse waar een beschot of pulscheiding moet worden aangebracht, kan men de horizontale balken daarvan direct aan de draagkranzen verbinden, waarbij deze laatste, om een zijdelingsche uitwijking der eerste tegen te gaan, 2 a 3 cM. van boven worden ingekeept, terwijl de verbindingsbalk een ongeveer halfweg reikende inkeeping verkrijgt en dus boven den draagkrans uitsteekt.

Dikwijls worden ook IS bij 20 cM. sterke, circa 6 M. lange behouwen balken b aan de binnenzijde der raambalken a en vertikaal daartegenaan geplaatst, die van boven en onder stomp rusten tegen afzonderlijke in het gesteente ingelaten horizontale balken c; een zijdelingsche uitwijking er van wordt voorkomen door de raambalken een paar centimeter in te keepen; terwijl zij in de lengte tegen elkaar gesteund worden door de horizontale scheidingsbalken d. De onderlinge verbinding is in fig. 229 voorgesteld; de

Sluiten