Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

a. de massa wordt in zetmachines gebracht; dit wordt alleen voor het

ertszand aangewend;

b. zij wordt op een meer of minder hellend vlak (haard) in een dunne laag uitgespreid, en daarna onderworpen aan een daarover afloopenden waterstroom waardoor de lichtere deeltjes worden weggespoeld; aan deze bewerking wordt zoowel het ertszand als het -slik, doch hel laatste altijd, onderworpen. Deze haard kan een plat vlak zijn en dan wordt de klasseering ondersteund door in de dwars- of lengterichting aangebrachte voortdurende stooten, waardoor de lichtere deeltjes een neiging verkrijgen om zich onderaan te plaatsen en de zwaardere bovenaan blijven (sloothaard). Zij kan echter ook een kegel- of trechtervormig oppervlak bezitten (,kegelhaard, trechterhaard), en dan zijn weer twee gevallen mogelijk: öf de haard wordt rondgedraaid en de erts- en watertoevoerleidingen zijn vast, óf de laatste worden gedraaid en de haard is onbewegelijk. De laatste inrichting heeft het voordeel dat de haard in zijn afmetingen onbepaald groot kan genomen worden, wat bij de draaiende haarden om praktische redenen niet het geval is; overigens wijken beide inrichtingen weinig van elkaar af. De voordeelen der zandzetmachines tegenover de stoothaarden schijnen in

het algemeen zoo groot te zijn dat de laatste, behalve indien slechts de afzondering van een enkele soort rijk zand beoogd wordt, (b. v. bij goudertsen, § 278), hoe langer hoe meer in onbruik geraken.

§ 268. ZANDZETMACHINES. De zandzetmachines verschillen weinig van de in § 264 beschrevene. De zeven liggen hier geen 40 maar 20 mM. dieper ten opzichte van elkaar. De zeefopeningen zijn */,—2 mM. en het draad moet zeer fijn zijn; ten einde een breken er van te voorkomen wordt het ondersteund door een tweede grover zeef van 8 mM. opening. Het ertszand wordt niet onmiddellijk op de zeef gebracht; men legt op het draadnet eerst een laag (bed) van erts, welks korrel wat grooter is dan de zeefopeningen, en welks specifiek gewicht ongeveer gelijk is aan dat van de zwaarste uit het zand af te zetten ertssoort. Deze laatste valt dan door het bed en de zeel heen en wordt onder uit de kast van lijd tot tijd verwijderd; het overige zand komt in de tweede kast enz. De afmetingen der zeven zijn meest 420 mM. breed en 920 mM. lang; de dikte der vaste laag hangt af van den ertsrijkdom van het zand, hoe armer dit is, hoe dikker het bed moet zijn, boven 75 mM. gaat men echter niet.

Voor grof zand is de zuigerslag 15—20 mM., het aantal slagen 150 per minuut; voor fijn zand zijn deze cijfers 12—15 mM, en 180.

Sluiten