Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werkplaatsen verwerkt worden, en de betrekkelijk geringe waarde van het product, zijn oorzaak dat alleen zulke werktuigen worden toegepast, die snel- en zooveel mogelijk zelfwerkend zijn. Om die reden worden de haarden hierbij nooit aangewend;

8e. het geringe specifiek gewicht van kool (1.5—1.8) in vergelijking van dat der ertsen (4—8) is oorzaak dat de neerslagsapparaten (trechters en reservoirs) een veel grootere oppervlakte moeten bezitten. Waar men dus niet over voldoend terrein beschikt, kunnen deze inrichtingen niet worden aangelegd. Men gebruikt ze dan ook meestal slechts da&r, waar zij zonder veel moeite en kosten kunnen worden gemaakt, en waar hel verkregen fijne product niet verkocht, maar ter eigen kooks- of briquettenfabrikatie wordt gebruikt.

§ 939. HANDSCHELDING; SORTEERBANDEN. Na deze algemeene beginselen, welke de koolzuivering beheerschen, aangegeven te hebben, zullen de na te blijken afwijkingen van de ertszuiveiing voldoende verklaard zijn.

Beter dan dit met ertsen het geval is, zal in den regel de kool in de mijn reeds een voorloopige scheiding kunnen ondergaan en wel in: stukkool, gruiskool en schieferkool. De laatste mag om vroeger vermelde redenen niet in de mijn achterblijven (§ 28) en wordt dus óf naar de halde gebracht öf, waar het de moeite loont, aan een zuivering onderworpen.

Ofschoon natuurlijk een scheiding als bovenbedoeld slechts als een voorloopige moet worden aangemerkt, is zij niettemin van veel gewicht en kan tot latere belangrijke besparing aan handenarbeid leiden. Het is echter slechts zelden te vermijden dat bij het gruis wat schieferkool en zelfs schieferstukken geraken, terwijl dikwijls dunne schieferlaagjes door de grootere koolstukken heenloopen. De aan den dag gebrachte kool moet dus dikwijls nog worden nagezien.

Deze handtcheiding geschiedt op vaste of draaiende tafels meestal echter op een sorleerband. Dat van Cornet, hetgeen veel in gebruik is (fig. 266) beslaat uit een aantal staven a, die bij vijf gelijk tot een vaste geleding b verbonden zijn, en op deze wijze een soort van kettingband zonder eind vormen, dat door twee trommels gespannen gehouden on tegelijk in langzame beweging gebracht wordt. Bij den eenen trommel worden de kolen opgestort, die door aan beide zijden geplaatste werklieden zooveel mogelijk van schiefer worden gezuiverd, en daarna bij den anderen trommel in wagens vallen. Het zijn gewoonlijk alleen de stukkolen, welke op deze wijze worden behandeld, nadat zij eerst nog over roosters (§ 250) zijn geleid om de kleinere stukken te verwijderen.

Sluiten