Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XII.

DE OPMETINGEN IN DE MIJN EN HET TEEKENEN DER MIJNKAARTEN.

(PLAAT XII).

I. I»i: OPH1IIX.I V IN DG MIJN.

A. INLEIDING.

§ 2SO. ALGEMEENE BEGRIPPEN. Bij de behandeling der bovenstaande onderwerpen is het gewone landmeten en waterpassen bekend verondersteld. Wij hebben dus alleen na te gaan waardoor de ondergrondsche opmetingen zich onderscheiden van die aan de oppervlakte, en verwijzen verder wat de laatste betreft naar hel werk van Dr. Schols ('). Op beschrijving, opstelling, onderzoek en regeling der daarin behandelde instrumenten of opmetingsmethoden wordt dus hier alleen teruggekomen voor zoover dit noodzakelijk is.

Als regel geschieden de metingen in de mijn met soortgelijke instrumenten als aan de oppervlakte, en het is zelfs een voordeel om bij het opmeten van het coucessieterrein zooveel mogelijk dezelfde instrumenten en dezelfde personen te bezigen als voor dat van het hoofdnet der mijn omdat men daardoor meer onafhankelijk wordt van de kleine fouten, die elk instrument en elke waarneming aankleven en niet zijn weg te nemen. Voornamelijk geldt dit van waterpasinstrumenten en theodolieten.

Het principe om van hel groote in het kleine te meten, dat bij bovengrondsche opmetingen altijd moet worden toegepast, kan in de mijn slechts zelden streng worden doorgevoerd. De driehoeksmeting is aldaar nooit aanwendbaar omdat men geen terrein kan overzien; men is steeds genoodzaakt de veelhoeksmethode toe te passen, zoodat een voortdurende controle tijdens de meting niet aanwezig is. De eenige controle op de meting bestaat behalve door heen- en terugmeting

(') Landmeten en waterpassen, door Ch. M. Schols, Hoogleeraar aan de Polytechnische School te Delft. MIJN0NTGINN1NG. 22

Sluiten