Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

duidelijk maken. Laat de lijn A B C D de ware richting van eenige achtereenvolgende slagen voorstellen en de richting van A B foutief bepaald zijn zoodat die lijn als A b in rekening wordt gebracht. Bij de boussole zullen dan de richtingen bc en cd zuiver evenwijdig loopen aan de ware richtingen B C en C D, en de lineaire fout B b zich dus onveranderd voortplanten, zoodat Bb — Cc = Dd.

Bij den theodoliet evenwel wordt < Abc' — < ABC en < bc' d' — < BCD, zoodat de lineaire fout hoe langer hoe grooter wordt.

Een voordeel van den theodoliet is echter dat aan den vertikalen cirkëlrand tevens de hellingen kunnen worden afgelezen, waarop nader wordt teruggekomen (§ 289). De boussole kan eveneens daartoe zijn ingericht (§ 283) doch wordt in den regel met een afzonderlijk instrument, de graadboog (§ 286) gebezigd.

De toetelaten fout in de lengtemetingen hangt af van het doel der meting. Dit kan zijn: het resultaat alleen in teekening voortestellen, öf het onder cijfers te brengen die bij verdere berekeningen gebruikt worden (§ 299). In het laatste geval wordt de grootste nauwkeurigheid verlangd; in het eerste behoeft men onderdeelen van centimeters niet meer aftelezen, verwaarloost de gedeelten kleiner, en neemt een vollen cM. voor deelen grooter dan */a cM.

Beoogt de meting alleen het hoogteverschil tusschen twee of meer punten nauwkeurig te weten zoo geschiedt dit met de gewone waterpasinstrumenten (§ 291).

B. BESCHRIJVING DER INSTRUMENTEN.

a. Meetketting; meetband; liaiigsiioer.

§ Bij het meten met de boussole moeten natuurlijk alle ijzeren

voorwerpen vermeden en door koperen vervangen worden.

De meelketting bestaat uit 0,5 of 0,25 M. lange schalmen van gegloeid dun messingdraad, die door messingen pennen met een houten handvat voorzien tusschen de beide eindpunten van een slag strak gespannen worden gehouden. Elke schalm bestaat slechts uit een rechten draad, die aan de einden tot ringen is omgebogen. De lengte van den ketting is meest 10 Meter. Het aflezen der slaglengte is zeer eenvoudig, en waar ook op tusschenpunten afstanden moeten worden gemeten (§ 296) heeft de bepaling dier punten geen bezwaar. Een nadeel is dat de ketting door het gebruik rekt, en ook aan verandering van lengte door de temperatuur onderhevig is.

De meetbanden zijn van staal, 20—40 M. lang en worden bij theodoliet-

Sluiten