Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Belangrijke punten in de meting b. v. zulke waarvan meerdere lijnen in verschillende richtingen uitgaan, en ook de eindpunten, worden met duidelijke merkteekens in het vaste gesteente of aan de bekleeding keubaar gemaakt en van elk dier teekens een nauwkeurige beschrijving, ook wat de ligging betreft, in het mcelboek gemaakt. De vorm dier teekens is natuurlijk willekeurig, maar steeds moet er één bepaald punt in aanwezig zijn, waarop de afmetingen (b. v. hoogte boven den grond) betrekking hebben.

In lig. 276 zijn eenige gebruikelijke teekens afgebeeld, waarvan men zonder moeite meerdere kan maken; het kleine cirkeltje geeft altijd het evenbedoelde punt aan; gewoonlijk wordt op deze plaats een spijker of kram ingeslagen. Om verwarring te voorkomen kan op een houten plankje, dat in de nabijheid wordt opgehangen, de tijd worden aangegeven waarop het teeken is gemaakt en het nummer van het meelboek.

§ 296. HET INSCHRIJVEN DER METING. Bij het begin der meting worden dus op de linkerbladzijde ingeschreven:

a. het nummer der boussole;

b. datum en tijd van aanvang;

c. de naam van den opnemer;

d. het azimuth der orienteeringslijnen.

Verder komen op deze bladzijde slechts de cijfers van waarneming en berekening.

De rechterbladzijde van het meetboek is bestemd voor het maken van bijzondere opmerkingen en voor het inschetsen van het opgemetene.

In het algemeen neemt men daarbij het afgelezen azimuth in acht, zoodat b. v. geen lijn naar het oosten wordt geteekend die in werkelijkheid naar het zuiden loopt. Men neemt in den regel de noordrichting naar den bovenrand van het blad; wordt hiervan afgeweken zoo moet bedoelde richting worden aangegeven. Eveneens teekent men de lengten der slagen in de schets ongeveer in verhouding tot de werkelijke; een bepaalde schaal behoeft daarbij echter niet te worden aangenomen en bij zeer korte slagen zal men ze liever wat grooter teekenen om niet onduidelijk te worden.

De geheele schets moet er op ingericht zijn een met de werkelijkheid zoo goed mogelijk overeenkomend beeld te leveren en er behoort eenige oefening toe om eensdeels niet met een te groote schaal en op de geschiktste plaats te beginnen om geen ruimte te kort te komen, en ten andere de schaal ook weer niet te klein te nemen en daardoor een later onleesbare schets te krijgen. Als algemecne regel oflere men liever een gedeelte der

H1JNONTGINM1NG. 23

Sluiten