Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vergissingen zijn ingeslopen) en moet deze hetzij geheel, hetzij bij gedeelten (tusschen vaste punten) worden herhaald.

De toe te stane afwijking kan niet in het algemeen worden aangegeven; zij hangt af van de schaal der teekening en het doel der meting en moet in elk bijzonder geval door de bevoegde autoriteit worden beoordeeld. Bij boussolemetingen waar men steeds met onvermijdelijke fouten te doen heeft behoeft men echter niet zeer angstvallig te werk te gaan.

Dikwijls kan men de onnauwkeurigheden, die bij het teekenen worden gemaakt, en natuurlijk grooler zullen kunnen worden bij vermeerdering van het aantal slagen, reeds daardoor verminderen dat men op grooler schaal teekent dan noodig is, en dan de teekening op de verlangde grootte verkleint. Het zijn echter voornamelijk de fouten in de lengte welke bierbij worden verminderd, die in de hoeken zullen eerder vergroot worden.

In het algemeen is het aan te bevelen bij het opdragen eener nieuwe meting op een bestaande kaart, haar eerst op een afzonderlijk stuk papier te teekenen en eersl later, na behoorlijke correctie, over te brengen.

Het vereffenen der teekenfouten heeft uilsluitend door constructie plaats. Voor belangrijke metingen wordt een bijzondere en meer omslachtige methode gevolgd, die wij hier niet verder zullen behandelen. Het volgende heeft dus alleen betrekking op de metingen met boussole en graadboog.

Hierbij beeft men steeds te doen met open- of met gesloten veelhoeken (§ 501); open veelhoeken kunnen voorkomen:

I. bij een eerste meting, dus van een vast punt uitgaande terwijl verder geen dergelijke punten aanwezig zijn. Een heen- en een terugmeting is dan in elk geval noodzakelijk als eenige controle. Noemen wij het vaste punt

P en gaat de meting over de punten a, b, c naar Q als eindpunt,

zoo teekent men beide melingen op eenigen afstand van elkaar op hetzelfde

papier, als Pa bc Q en I\ o, bt ct 0,. Is nu de afstand

P Pl niet precies gelijk aan Q Q, zoo verschuift men door een paar zuivere driehoeken de lijn Pt...Q1 evenwijdig met zich zelf totdat Pl in P valt, verbindt dan Q met het nieuwe punt en deelt dezen afstand midden

door, evenals de lijnen aax, b bl, cc1 De lijn welke al deze

middenpunten verbindt kan men als de ware lijn aannemen;

II. tusschen twee vaste punten A en B, dus als aansluiting smeting. Beschikt men over een heen- en terugmeting, zoo construeert men eerst een

gemiddelde lijn als boven bij I is opgegeven. Deze lijn Aab Bt kan

dan mei den bekenden afstand .4 B beschouwd worden als een gesloten veelhoek; de correctie heeft plaats ongeveer als bij III.

Sluiten