Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Echte gesloten veelhoeksmetingen zijn steeds:

III. rondmetingen, waarbij óf in de meeting meerdere vaste (bekende) punten kannen voorkomen, öf slechts één vast punt (het uitgangspunt) aanwezig is. In het laatste, meer algemeene geval zij P het vaste punt, en valle het eindpunt der teekening niet in P maar b. v. in Q. Men kiest nu in de teekening een der tusschenpunten n, dat ongeveer in het midden is gelegen, zoo mogelijk d;iar waar de meting zich het verst van /' heeft verwijderd, trekt n P en n Q, deelt P Q in R midden door en trekt R«. Vervolgens laat men uit de tusschenpunten der meting de loodlijen a 1,

bi, c 3 m 13 op Pn, en o 18, p 16 op Qn neer, trekt uit

1, «j, 3 15, 16 lijnen evenwijdig aan PQ tot waar zij Rn

snijden, richt in de snijpunten loodlijnen op R n op, die gelijk aan al, b'1 worden gemaakt, en vereenigt de daardoor verkregen eindpunten dier loodlijnen met elkaar en het eerste en laatste punt met R, zoo zal die lijn den gecorrigeerden gesloten veelhoek zijn.

Het spreekt van zelf dat men op deze wijze alleen die tusschenpunten behoeft te behandelen, waarvan men kan vermoeden dat zij een eenigszins belangrijke afwijking in stand van het voorgaande punt zullen vertoonen, en in het algemeen vooral zulke punten, waar de meting een vrij groote bocht maakt.

Komen nog andere vaste punten in de meting voor, zoo verkeert men eigenlijk in geval II en moet de teekening dus stuksgewijze gecorrigeerd worden.

Heeft men heen- en terug gemeten zoo verkrijgt men twee teekeningen P ab.. nop.. .z Q en Q1zx ... pt ot », . ♦. bt a, P,; de laatste wordt evenwijdig aan zich zelf verschoven tot Q2 in Q valt. Vervolgens halveert men de afstanden P Plt aalt bbt ...zzi en vereenigt de middenpunten

met elkaar. De aldus verkregen lijn P2a1bi zt Q verkeert dan in

het bovenstaande geval en wordt op dezelfde wijze gecorrigeerd.

Men kan ook reeds bij de meting op dit latere vereffenen der teekenfouten letten n. 1. door zulk een gesloten veelhoek als twee opene te meten. Men meet dan eerst van P over a naar een punt n ongeveer op de helft der meting gelegen en liefst zoo ver mogelijk van P verwijderd, en vervolgens naar P terugkeerende over z naar hetzelfde punt n. Uit de teekening zal men dan een gemiddeld punt w1 kunnen afleiden, dat als de waarschijnlijkste plaats is te beschouwen, en met welks behulp de lijnen P an en P zn kunnen gecorrigeerd worden.

Kan men nog op een derde, liefst meer directe wijze van P tot n

Sluiten