Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afstand aangeven van een normaal vertikaal vlak b. v. door een der mijnputten (breedtelijnen).

De meergenoemde hoogtelijnen zijn zeer gemakkelijk te construeeren indien men in het netmeetboek de hoogte van alle gemeten hoekpunten boven of beneden een normaal vlak bepaalt, wat slechts een kleine vermeerdering van werk is.

In de profielen wordt slechts het hoofdzakelijke geteekend en dan nog alleen datgene wat werkelijk door het profielvlak gesneden wordt b. v. grond- en luchtgalerijen, uitgewerkte gedeelten, dwarsgalerijen, mijnputten enz. Is het wenschelijk ook andere niet in dat vlak gelegen zaken op te nemen zoo worden deze gestippeld.

§ S06. HOOFD-, SITUATIE-, SPECIAAL-, ÉTAGEKAARTEN. Voor bet dagelijksch gebruik wordt van elke laag een afzonderlijke kaart gemaakt ingericht als in de vorige § is aangegeven (speciaalkaarl). Daar het echter nuttig kan zijn ten allen tijde te weten op welke wijze de ontginning dier lagen ten opzichte van elkaar gelegen is wordt in den regel ook een grondof hoofdkaart samengesteld, waarop het voornaamste uit elke laag met verschillende kleuren is geteekend. Tevens maakt men een situatiekaart d. i. een platte grond van het geheele of een gedeelte van het concessieterrein met de daarin en daaronder liggende mijnputten, stollen, dwars- en hoofdgalerijen, uitgewerkte gedeelten enz. benevens de waargenomen of geconstrueerde uitgaanden der lagen. De beide laatste kaarten worden op kleiner schaal geteekend dan de speciaalkaarten waaruit zij zijn afgeleid, en die voor lagen meest op Viooo» voor gangen op '/soo ze^s grooter worden vervaardigd.

Niet zelden wordt ook van elke étage een afzonderlijke kaart aangehouden (ètagekaarl) en heeft dit als regel plaats bij de ontginning van dikke lagen met de horizontale methode (§§ 24 en 42) en bij die van stokken (§ 44). Wordt een dikke laag ontgonnen volgens de hellende methode zoo wordt elke bank als een laag beschouwd.

Bestaat een mijnkaart uit meerdere bladen zoo worden de volgende voorschriften in acht genomen:

I. zooveel mogelijk wordt voor alle bladen dezelfde soort papier gebruikt;

II. op elk blad wordt de schaal geteekend en de noordlijn;

III. over de eigenlijke grens van het blad heen worden de onmiddellijk aanliggende gedeelten der aansluitende bladen in potlood bijgeteekend, en het papier dus niet afgesneden langs den rand van het eigenlijke blad.

Bij de ontginning van gangstelsels en- buudels worden meestal van uit

Sluiten