Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9. En zij kwamen aan de plaats, die hem God had gezegd, en Abraham bouwde daar een altaar, en schikte het hout, en bond Izaak zijnen zoon, en legde hem op het altaar, bovenop het hout.

10 En Abraham strekte zijne hand uit, en nam het mes om zijnen zoon te slachten.

11. Maar de Engel des Heeren riep tot hem van den hemel, en zeide : „Abraham, Abraham". En hij zeide: „Zie hier ben ik".

12. Toen zeide Hij: Strek Uwe hand niet uit aan den jongen, en doe hem niets, want nu heb Ik bekend, dat gij God vreest, en Uwen eenigen zoon mij niet hebt onthouden.

13. Toen hief Abraham zijne oogen op, en zag, en zie, een ram was achter hem, met zijne hoornen verward in het dichte der struiken, en Abraham ging er heen, en nam dien ram, en offerde hem tot een brandoffer in zijns zoons plaats.

14. En Abraham noemde de naam dier plaats : De Heere zal het voorzien ; daarom wordt heden nog gezegd „Op den berg zal de Heere het voorzien".

15. En de Engel des Heeren riep tot Abraham ten tweeden male van den hemel.

16. En zeide : „Ik heb bij Mijzelven gezworen, heeft de Heere gezegd, zekerlijk omdat gij deze zaak gedaan hebt, en mij Uwen eenigen zoon niet hebt onthouden.

17. Grootelijks zal Ik U zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, gelijk de sterren des hemels, en gelijk het zand, dat aan den oever der zee is ; en uw zaad zal de poort zijner vijanden erfelijk bezitten.

18. En in uw zaad zullen alle volken der aarde gezegend worden, daarom dat gij mijne stem hebt gehoorzaamd.

19. Daarna keerde Abraham terug tot zijne knechten, en zij stonden op en gingen voort, te zamen naar BëerSebah en Abraham woonde te Bëer-Sebah.

20. En het geschiedde na deze dingen, dat aan Abraham geboodschapt werd, zeggende: „Zie, Milchah heeft ook zelve aan Nahor, uwen broeder, zonen gebaard.

21. Uz, zijn eerstgeborene, en Bus, zijnen broeder, en Kemuël, de vader van Aram.

Sluiten