Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4. Ik ben een vreemdeling en bijwoner. Deze aanspraak heeft de bedoeling om, öf door smeekbeden gemakkelijker het begeerde te verkrijgen, öf om allen afgunst der begeerlijkheid den pas af te snijden. Hij bekent dus, omdat hij slechts uit gunst onder hen een verblijf had, dat hij geen graf had, dan met hunne toestemming. Wijl zij hem nu bij zijn leven hadden toegestaan in hun gebied te wonen, was het den eisch der menschlievendheid aan zijne dooden geen graf te weigeren. Daar zij dit goedkeurden, verzekert zich Abraham van hunne gunst langs den weg van vernedering niet alleen, maar als hij zegt dat de zonen van Heth welwillend met hem gehandeld hebben, voegt hij door die lofbetuiging er een prikkel aan toe, om met diezelfde vrijgevigheid, waarmee ze waren begonnen, nu ook door te gaan.

Er is ook een ander gevoelen, dat niet slecht past n.1. dat Abraham, om aan den afkeer van het verkoopen eenige afleiding te geven, zegt, dat hij het begeert, niet tot gebruik voor het tegenwoordige leven, niet uit eerzucht of hebzucht, maar alleen, opdat zijne dooden niet onbegraven zouden blijven liggen, alsof hij zeide : Ik heb er niet op tegen, om gelijk tot hiertoe als vreemdeling onder u te verkeeren ; op roof van u loer ik niet, om zoodoende eenig eigendom te bezitten en met u over den'voorrang te strijden; ik ben tevreden met eene plaats om

begraven te worden.

6. Gij zijt een vorst Gods in ons midden. De Hethieten

bieden Abraham een graf aan voor niets, hij heeft het maar voor 't kiezen. Nu verklaren zij dit aan Abraham te geven om zijne deugden. Reeds vroeger zagen wij, dat alles wat uitmunt door de Joden goddelijk wordt genoemd. Versta daarom hier door vorst Gods, een uitnemend en bijzonder voortreffelijk vorst. En terecht onderscheiden zij de eigenschap, die zij om hare deugden eeren, met deze lofspraak, om daarmee te verklaren, dat zij aan God alleen toeschrijven, elke deugd in de menschen, die lof en achting waardig is.

Nu vertoont zich eenig spoor van vroomheid daarin, dat de Hethieten Abraham eere waardig keuren, omdat zij weten, dat hij met bijzondere gaven van Gods Geest begiftigd is. Want goddelooze en woeste menschen vertreden alle schitterende gaven Gods door hun onbeschaafde trotschheid, evenals zwijnen de parelen. En nu weten wij van hoevele on-

Sluiten