Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rang der kinderen Gods, op wien (gelijk hij elders zegt) de aanneming zag. Hieruit kan het stellig bewijs worden opgemaakt, dat Mozes zelf gelooft, dat God uit Abrahams kinderen bepaalde personen zich uitkiest, in wien de genade der aanneming van kracht is. Hoe zullen wij dan Paulus met Mozes in overeenstemming brengen ? Ik antwoord, dat de Heere het geheele zaad van Jacob van Ezau's geslacht afscheidt met het oog op de Kerk, die in Jacobs nakomelingen lag besloten. Ten minste tot dat einde wordt de algemeene verkiezing des volks verhaald, dat God eene Kerk zou hebben van de overige wereld afgezonderd. Wat ongerijmds ligt er dus in, dat Paulus Mozes' woorden, waarin voorzegd is, dat de Kerk zou zijn uit Jacobs zaad, laat slaan op de bijzondere uitverkiezing? In deze hoofdstukken wordt een bijzonder geval van deze zaak vertoond. Want Jacob is niet slechts met het uitwendige woord van God geroepen, maar met voorbijgaan van zijn broeder tot erfgenaam des levens verkoren. Daar Mozes Gods welbehagen in Jacobs persoon alleen prijst, maakt Paulus terecht de verdere gevolgtrekking; en opdat niemand zou meenen, dat na de vaneenscheiding dezer twee volken door de Godspraak, de uitverkiezing zonder onderscheid op alle kinderen van Jacob heeft gezien, stelt Paulus eene andere Godspraak hier tegenover : „Ik zal Mij ontfermen, diens Ik mij zal ontfermen". Daaruit zien wij, dat van het dooreengemengde geslacht van Jacob een zeker getal wordt afgezonderd, in wier behoudenis de bijzondere verkiezing Gods uitkomt, waaruit blijkt dat Gods besluit door Paulus recht is opgevat. De eer van het eerstgeboorterecht wordt door Hem van den meerdere op den mindere overgedragen, opdat Hij zich uit Jacobs zaad naar Zijnen wil, niet uit verdiensten van menschen, maar uit enkele genade, eene Kerk zou verkiezen. Toch wilde God, dat de middelen tot verzameling Zijner Kerk voor het geheele volk gemeenschappelijk zouden zijn. Maar dit doeleinde, waarop Paulus zag, moet vooral in het oog worden gehouden, dat er altijd eenig lichaam van menschen in de wereld is, dat God in oprechtheid des geloofs roept en bewaart tot den einde. Derhalve blijft dit leerstuk vast, dat sommigen van de menschen verloren gaan en anderen de zaligheid verkrijgen, en dat de oorzaak afhangt van Gods verborgen welbehagen. Want hoe komt het, dat zij, die uit Abraham gesproten zijn, niet in hetzelfde recht

Sluiten