Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hun eigen inborst en zeden, wantrouwen zij ook zijne rechtschapenheid. Zoodanige verwarring nu verontrust gewoonlijk ongeloovigen, zoodat zij zichzelven wantrouwen, of althans tusschen tegenstrijdige gevoelens heen en weer geslingerd worden, en niets bezitten, dat vast en blijvend is. Want de beginselen van een rechtmatig oordeel, welke oprijzen in hun gemoed, worden spoedig verstikt door kwade hartstochten. Zoo komt het, dat hetgeen goed is opgevat verdwijnt, of ten minste wordt bedorven, en niet eindigt in goede vruchten.

29. Gelijk wij u niet hebben aangeraakt. Het kwaad geweten dringt hen tot de begeerte om hem geheel in hunne handen te hebben, daarom eischen zij een eed, dat hij geen kwaad zal doen. Zij wisten, dat volgens menschelijk recht de kwade bejegening, die hij geleden had, kon gewroken worden ; maar dit verbergen zij, en verwonderlijk roemen zij op hunne weldaden. Wel was in den beginne de menschlievendheid des konings buitengewoon, (want hij had Izaak niet alleen gastvrij behandeld, maar hem ook met bijzondere eer verwaardigd,) maar hij bleef volstrekt niet standvastig tot het einde. Overigens handelen zij naar de gewone handelwijze der menschen, daar zij hunne misdaden zoo kunstig en prachtig als het maar kan verbloemen. Maar als wij eene zonde hebben gedaan, past het veel meer openhartig onze schuld te bekennen, dan door te ontkennen, het hart der beleedigden nog meer te verwonden. Maar omdat Izaak zich tevreden stelt met hun geweten getroffen te hebben, vervolgt hij hen niet verder. Want door vreemden behoeven zij niet als eigen volk te worden behandeld, maar als men niets vordert, moet men hen overlaten aan het oordeel Gods.

Schoon Izaak dus geene rechtmatige bekentenis uit hen krijgt, weigert hij niet, opdat men niet zou denken, dat hij van binnen op iets vijandelijks zon, met hen een verbond te sluiten.Zoo leert hij ons door zijn voorbeeld, dat men diegenen, die zich van ons hebben vervreemd niet moet afwijzen, als ze zich aanbieden. Immers wijl ons bevolen wordt den vrede na te jagen, ook als ze ons schijnt te ontvluchten, past het ons veel minder om terugstootend te zijn, als vijanden zich eigener beweging met ons verzoenen, voornamelijk als er in de toekomst hoop bestaat op eenige verbetering, ook al komt de ware bekeering nog niet te voorschijn. Ook ontving hij hen aan een gastmaal, niet slechts om den vrede te doen terugkeeren, maar ook om te too-

Sluiten