Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Want de zegen, waarover hier wordt gehandeld, was geene gewone bede, maar een wettig gezag van God geschonken, om de genade der uitverkiezing te openbaren. God had aan de heilige vaderen beloofd, dat Hij altoos de God van hun zaad zou zijn. Opdat de opvolging voor de nakomelingen zeker zou zijn, zetten zij hen bij hun dood in het bezit, alsof ze de van God onvangene genade van hand tot hand overleverden. Zoo stelde Abraham, door zijnen zoon Izaak te zegenen, hem met plechtige gebruiken aan tot erfgenaam des levens. Op dezelfde manier nu wil Izaak, daar hij op was van ouderdom, en meende straks uit het leven te moeten scheiden, zijn eerstgeborenen zoon zegenen, opdat in zijn geslacht het eeuwig verbond Gods zou blijven. Nu hebben de aartsvaders dit niet zoo maar op eigen gezag zich toegeëigend, maar zij waren de openlijke en van Godswege verordende getuigen. Hierop slaat dit woord van den Apostel in Hebreen 7 : 7, dat de mindere door den meerdere wordt gezegend. Want reeds toen waren de geloovigen gewoon bij onderlinge liefdedienst elkander te zegenen, maar op de aartsvaders heeft God bijzonder dit ambt gelegd, opdat hij het verbond, dat Hij met hen had gesloten, en dat ze in hunnen geheelen levensloop bewaarden, als een pand aan de nakomelingen zouden overdragen. Het zelfde bevel weid later aan de priesters gegeven, gelijk blijkt uit Numeri 6 : 24 en uit andere dergelijke plaatsen Bij het zegenen van zijnen zoon nam Izaak dus eene andere plaats in, dan van vader en privaat persoon; want hij was Gods profeet en tolk, die zijnen zoon tot erfgenaam verklaarde van dezelfde genade, die hij eens had bezeten. Daaruit blijkt, wat ik reeds zeide, dat Mozes in het verhandelen dezer zaak niet zonder reden zoo uitvoerig is. Doch laten wij alle bijzonderheden, elk op zijne beurt overwegen. Daarvan nu is dit de eerste bijzonderheid, dat God den zegen door eene vergissing des vaders van Ezau op Jacob overdroeg. Daarom zegt Mozes, dat zijne oogen verduisterd geweest zijn. Ook Jacob was dof van gezicht, toen hij zijne kleinzonen Efraïm en Manasse zegende, maar die donkerheid veroorzaakte niet, dat hij zijne handen voorzichtig andersom richtte.

God liet echter Izaak bedrogen worden, om te toonen, dat Jacob niet door den wil van menschen, maar boven den gewonen loop der natuur, tot het recht en de eer van den eerstgeborene werd verheven.

Sluiten