Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Schoon nu Izaak de tijdelijke genadegaven voorop stelt, bedoelt hij toch volstrekt niet, de verwachting zijns zoons te beperken tot deze wereld. Integendeel hij heft hem op tot diezelfde hoogte, waarop hij zelf het oog gericht had. Hiervan kan ook uit de woorden eenig bewijs gehaald worden. Dit toch is het voornaamste stuk, dat hij hem de heerschappij over de volken toezegt. Vanwaar anders de hoop op zulk eene hooge waardigheid, dan wijl hij overtuigd was dat zijn geslacht van den Heere was uitverkoren en wel met die bepaling, dat het recht der heerschappij bij één persoon bleef? Intusschen moet het ons genoeg zijn dit als hoofdzaak vast te houden, dat als de heilige man zijnen zoon een voorspoedige levensloop toebidt, hij wenscht, dat God hem gunstig moge zijn, in Wiïns vaderlijke gunst een vast en eeuwig geluk voor ons ligt opgesloten.

29. Die gij vervloekt. Men houde in het oog, wat wij te voren gezegd hebben, dat dit geen bloote wenschen zijn, gelijk vaders gewoonlijk hunne zonen toebidden, maar dat de beloften Gods hierin tevens liggen opgesloten. Want Izaak is de wettige heraut Gods en het orgaan van Zijnen Geest, waarom hij met nadruk zegt, dat zij, die het geluk zijns zoons bestrijden als van God zelf vervloekt zullen zijn. Daarom is dit de betrachting der belofte, volgens welke God de geloovigen in Zijne bescherming opneemt, dat hij belooft een vijand te zullen zijn van hunne vijanden. Hierop ziet de geheele zegening kort samengevat, dat God zich in alles voor zijnen knecht Jacob een weldoend Vader betoont, hem tot een vorst stelten tot hoofd van het heilige en uitverkoren volk, om hem met Zijne kracht te beschermen en te verdedigen, en zijn geluk te beveiligen tegen allerlei van vijanden.

30. Slechts even was hij uitgegaan. Hier wordt mede verhaald, hoe Ezau is afgewezen ; deze omstandigheid nu is van niet geringe beteekenis, om Jacobs zegen te bevestigen. Want als Ezau niet was afgewezen, kon het den schijn hebben, dat hij nog niet van de eer beroofd was, die Izaak hem eerst schonk. Maar nu verklaart Izaak, dat het niet anders kan of wat hij gedaan heeft overeenkomstig zijne roeping als aartsvader, is vast en zeker, Hier blijkt het wederom dat het een uitvloeisel was van vrije genade dat Jacob met voorbijgaan van zijnen broeder het eerstgeboorterecht verwierf. Want als men beider daden met elkaar vergelijkt, dan ziet men, dat Ezau zijnen vader gehoor-

Sluiten