Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vergeefs aan, wijl God hunne nalatigheid alsdan straft. Wij hebben dus toe te zien, dat wij ons niet doof houden voor Gods stem als die tegenwoordig is, want zelf zal Hij zich op Zijn beurt doof houden voor ons geroep. Doch men vraagt, hoe met deze weigering de belofte is te rijmen : „Maar wanneer een zondaar zich bekeert" enz. Ezech. 18:21. Ook schijnt het niet met Gods barmhartigheden overeen te komen, de smeekingen te verwerpen van hen, die verslagen over hunne ellende, tot Zijne genade de toevlucht nemen. Ik antwoord hierop, dat berouw, als het slechts waar en oprecht is, nooit te laat zal komen, en de zondaar, als hij zichzelven mishaagt, vergiffenis zal ontvangen, maar God gaat ook op deze wijze de verachting zijner genade tegen, dat zij, die hardnekkig Zijne genade verwerpen, nooit het ernstig voornemen opvatten om tot hem terug te keeren. Zoo komt het, dat zij, die in een verkeerden zin zijn overgegeven, nooit door een waar berouw worden getroffen. Wel breken geveinsden in tranen uit, gelijk Ezau, maar hun hart blijft als met een ijzeren kleed omgeven. Wijl Ezau dus zonder geloof en berouw in tranen uitbreekt om den zegen te begeeren, is het geen wonder, dat hij afgewezen wordt.

36. Naar waarheid, is zijn naam Jacob genoemd. Hieruit blijkt, dat Ezau's hart door geen gevoel van berouw is getroffen, daar hij zijnen broeder beschuldigt, en niet de minste schuld voor zijne eigene rekening neemt. Het is echter het begin der bekeering, dat men smart gevoelt over zijne zonde en zichzelven mishaagt. Ezau had in zichzelven moeten afdalen, om zijn eigen rechter te zijn. Hij had zijn eerstgeboorterecht verkocht en was als een hongerige hond op de bete broods en het kooksel aangevallen, en nu is hij boos op zijnen broeder, alsof hij niet de minste zonde heeft gedaan. En ook als de zegen eenig gewicht heeft, waarom bedenkt hij dan niet, dat hij niet alleen door 's menschen bedrog, maar door Gods voorzienigheid daarvan was verstoken ? Wij zien dus, dat hij al tastende, als een blinde in het duister, van den weg afdwaalt.

37. Zie, ik heb hem tot een heer over u gesteld. Duidelijker nog verzekert Izaak, wat ik vroeger reeds gezegd heb, dat de zegen niet ongedaan kan gemaakt worden, wijl God er de auteur van is. Want Izaak boogt hier niet op zijne waardigheid, maar houdt zich binnen de perken van een dienaar en zegt, dat het hem niet vrij staat iets te veranderen. Want daar

II 8

Sluiten