Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij plaatsvervanger Gods is geweest, houdt hij steeds deze waarheid in het oog, dat het hem niet vrij staat verder te gaan, dan zijne opdracht. Hieruit had Ezau moeten opmaken, wat hij door eigen schuld had verloren, hetgeen hem zou gedrongen hebben tot vernedering en aansluiting aan zijn broeder, als deelgenoot zijner zegening in den tweeden graad, in plaats van iets aparts te begeeren. Doch eene verkeerde begeerlijkheid drijft hem, om het rijk Gods te vergeten en slechts zijn eigen belang te zoeken en daarvoor alleen te zorgen. Ook moet de uitdrukking worden opgemerkt, waarmee Izaak andermaal aan zijn zegen kracht en gevolg bijzet, alsof in zijn woord besloten ware geweest, macht, overvloed van koren en wijn en alles zooals God aan Abraham had beloofd. Want God wil, dat de geloovigen aldus van Hem afhankelijk zullen zijn, dat zij zich veilig verlaten op Zijn Woord, dat Hij hun door 's menschen tong laat aankondigen. Zoo zegt men dat zij de zonden vergeven, die slechts boden en tolken zijn van de genadige vergiffenis.

38. Hebt gij dan maar één zegen ? Ezau schijnt moed te vatten, doch zoo, dat hij de zorg voor zijne ziel minachtend, gelijk het zwijn op het voeder des vleesches aanvalt. Hij had gehoord, dat zijn vader niets over had, daar de volle en zekere genade Gods aldus op Jacob bleef rusten, dat er buiten zijn huis geen geluk was. En daarom had Ezau, als hij gewenscht had, dat het hem wel zou gaan, uit die bron moeten scheppen en zich liever onder zijn broeder moeten stellen, dan zich aan de gelukkige samenleving met hem te onttrekken. Hij wil echter liever de geestelijke genade missen, als hij maar iets voor zich afzonderlijk bezit, dan thuis de mindere te zijn. Dat de zegen, waardoor Jacob tot erfgenaam van hetVerbond Gods was verklaard, eenig was, kon hem niet verborgen zijn, want dagelijks sprak Izaak van dat bijzonder voorrecht, waarmee God Abraham en zijne nakomelingen had verwaardigd. Want hij zou zooals wij zooeven zagen niet zoo erg geklaagd hebben, zoo hij niet begrepen had, dat hij van een onschatbaar goed was beroofd. Door dus van de eenige zegening af te wijken, keert hij God den rug toe en scheidt hij zich af van het lichaam der Kerk, slechts zorgende voor dit brooze leven. Het zou echter beter voor hem geweest zijn, aan alles gebrek hebbende, ellendig zijn leven te slijten op de wereld en een kwijnend leven te leiden,

Sluiten