Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moeiten hij ook moest gaan. Het is toch eene bekentenis van de hoogste armoede, als hij zegt „zoo de Heere mij brood en kleeding verschaft". Men vraagt echter, als zijn grootvader Abraham zijn knecht zond met een schitterend geleide met kameelen en kostelijk siersel, waarom dan Izaak thans zijn zoon liet weggaan zonder een enkelen reismakker en bijna zonder reisbenoodigdheden. Het kan zijn, dat hij hem aldus weggezonden heeft, om het wreede gemoed van Ezau door een zoo beklagenswaardig schouwspel tot zachtheid te stemmen.Toch bestond er m. i. eer eene anderereden. Want Abraham, vreezende dat zijn zoon Izaak bij zijne verwanten zou blijven, eischt van zijnen knecht een eed, dat hij hem niet naar Mesopotamië zou laten gaan. Omdat echter thans de nood Izaak dringt een ander besluit aangaande Jacob te maken, neemt hij althans dit voorbehoedmiddel, opdat hij ten slotte tot hen zou wederkeeren. Hij rustte hem dus niet toe met schatten of met pracht, om zijn hart te verstrikken, maar laat hem met opzet arm en ledig weggaan, opdat hij des te meer geneigd zou zijn tot den terugkeer. Wij zien dus dat Jacob het huis zijns vaders verkiest, boven alle streken, en dat hij elders geen blijvende rustplaats verlangt.

21. Zal de Heere mij tot een God zijn.. Met deze woorden legt Jacob zich aan banden, dat hij nooit van den zuiveren dienst van den Eenigen God zal afwijken. Want het lijdt geen twijfel, of hier heeft hij gezien op de hoofdzaak der vroomheid. Doch hij schijnt iets te beloven, dat ver boven zijne krachten uitgaat. Want de nieuwigheid des levens, de geestelijke gerechtigheid, de vrome gematigdheid in het geheele leven stonden niet aan hem. Ik antwoord, dat als de heiligen beloven, hetgeen God van hen eischt, en hetgeen zij krachtens den plicht der vroomheid verschuldigd zijn, zij tevens aannemen, wat God van de vergeving der zonden en de hulp Zijns Geestes belooft. Aldus komt het, dat zij aan hunne eigene krachten niets toeschrijven en voorts dat al wat de stipte volmaaktheid mist, hun dienst niet bederft, daar God hun genadig en met vaderlijke toegevendheid vergiffenis schenkt.

22. En deze steen, dien ik tot een teeken heb opgericht. Deze plechtigheid was een aanhangsel van den Goddelijken dienst, want niet de uitwendige plechtigheden vormen de ware dienaren Gods, maar dit zijn slechts hulpmiddelen hunner vroomheid. Verder goot Jacob, daar het destijds aan de heilige va-

Sluiten