Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beteekent als door waarzeggerij of profetie weten, gissen enkele uitleggers, dat Laban door magische kunst is onderricht, dat de tegenwoordigheid van Jacob hem nuttig en voordeelig geweest was. Anderen leggen dit echter eenvoudiger uit, dat hij in de ervaring een bewijs had. Mij schijnt het toe, dat de vertolking aldus moet zijn, alsof hij gezegd had, dat hij evengoed Gods zegening had aanschouwd, alsof het hem door voorspelling was gezegd, en hij het door voorteekenen had vernomen.

29. Gij weet, hoe ik u heb gediend. Dit antwoord van Jacob strekt niet, om het bedrag van zijn loon te vergrooten. Integendeel hij maakt Laban er een verwijt van, en zegt, dat hij onbillijk en onmenschelijk handelt, door nog aan te dringen op langer vertoef. Want ongetwijfeld werd hij met al de begeerten zijner ziel heengetrokken naar het land Kanaan. Daarom stond de terugkeer bij hem hooger, dan alle rijkdommen, van welken aard ook. Intusschen is het toch verkeerd van Jacob, dat hij zijn schoonvader beschuldigt van bedrog en onmenschelijkheid, zoodat hij iets van hem afperst, als hij nog langer zal blijven. Maar hij kon toch niet verwachten, dat die oude sluwe vos uit eigen beweging tot billijkheid zou overgaan. Daarom prijst Jacob niet maar eenvoudig zijn ijver, maar hij toont, dat hij te doen gehad heeft met een onbillijk en wreed mensch. Intusschen merke men op, dat hij, hoewel hij hard had gewerkt, niets toeschrijft aan zijnen arbeid, maar aan Gods zegening dit dank weet, dat Laban rijk is geworden. Want al leggen zich de menschen met goed vertrouwen op hunne taak toe en al drijven zij niet den spot met hun werk, toch hangt de vrucht alleen af van Gods genade. Want Paulus getuigenis van de kracht der leer heeft ook verdere strekking, dat noch hij die plant, noch hij die nat maakt iets is, 1 Cor. 3 : 7, daar die gelijkenis uit de algemeene ervaring is geput. Tweeledig is het nut dezer leer. Want wat ik ook aanvang, of welk werk ik ook ter hand neem, toch is het mijn plicht, van den Heere te vragen, dat Hij mijnen arbeid zegene, opdat die niet vergeefs en ijdel zij. Vervolgens als ik iets heb verkregen is het mijn tweede plicht, om God te loven, zonder wiens hulp de menschen vergeefs vroeg opstaan, en zich den geheelen dag aftobben, en laat ter ruste gaan, en eten het brood der smarte, en een weinig water drinken, met droefheid. Wat de woorden betreft, als Jacob zegt: ā€žHetgeen

Sluiten