Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was overgeleverd. Intusschen doet Jacob niet mee aan dit bijgeloovig eedzweren. Uitdrukkelijk toch verklaart Mozes, dat hij slechts bij de vreeze Izaaks heeft gezworen, om ons te doen weten, dat hij niet heeft toegestemd in de verkeerde wijze van eedzweren, die zijn schoonvader hem voorschreef. Zoo doen velen, die om de gunst van goddeloozen te winnen, zich houden alsof ze van dezelfde gezindheid zijn als deze. Doch als de Eenige God ons eenmaal is geopenbaard, is het een moedwillig ondrukken van Zijne waarheid, als Hij niet door Zijn licht alle nevelen van dwaling bij ons verstrooit. Zonder twijfel was het offer overeenkomstig de wijze van eedzweren, zoodat Jacob alle verontreiniging van den zuiveren dienst Gods heeft geweerd.

54. En hij noodigde zijne broederen ter maaltijd. Dat Jacob zijne verwanten vriendschappelijk en gastvrij onthaalde, schoon hij kwalijk door hen was behandeld, daarin komt zijne zachtzinnigheid uit. Ook merkt Mozes hier een daad van Gods bijzondere gunst op, dat na dien heftigen storm, die den heiligen man met den ondergang bedreigde, plotseling alles zoo heerlijk opklaarde. Hetzelfde bedoelt hij met hetgeen terstond hierop volgt, dat Laban in vriendschap is gescheiden, want aldus toont de Heere duidelijk, dat Hij de Bewaker is van Zijn knecht, en dat Hij hem als een verloren schaap op wonderlijke wijze uit de klauwen van den wolf heeft gerukt. Want bij Laban was niet alleen maar de woede gestild, maar zelfs kwam de vaderlijke toegenegenheid boven, alsof hij in een nieuw mensch was veranderd.

55. En hij zegende hen. Men lette op de persoonlijke gesteldheid van Laban. Want schoon hij de ware vroomheid had laten varen, en zijne zeden slecht en zondig waren, heeft hij toch het gebruik der zegening behouden. En hieruit leeren wij, dat er eenige beginselen van Godskennis overblijven in de harten van goddeloozen, zoodat voor hunne onwetendheid geene verontschuldiging overblijft. Want het gebruik der zegening komt daarvandaan, dat de menschen in de vaste overtuiging leven, dat God de eenige bron is van alle goed. Want hoezeer ze ook alles zich trotsch aanmatigen, als ze tot zichzelven komen, worden ze tegen wil en dank gedwongen te beseffen, dat alle goed slechts van God alleen afkomstig is.

II

13

Sluiten