Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nu vraagt men, vanwaar Jacob wist, dat zijn broeder in die streek woonde. Hoewel ik niets met zekerheid durf te zeggen, ligt het vermoeden toch voor de hand, dat hij door zijne moeder is gewaarschuwd. Immers bij zulk een schare van knechten was wel een vertrouwde bode te vinden. Ook kan men gemakkelijk uit Mozes' woorden opmaken, dat Jacob, voordat hij het land was binnengetrokken, alles geweten heeft omtrent de nieuwe woonplaats zijns broeders. Wij weten immers, dat vele dingen van dien aard door Mozes zijn weggelaten, omdat ze den lezers gemakkelijk voor de aandacht kunnen komen.

4, Zoo zult gij zeggen tot mijnen heer. Hier verhaalt Mozes, hoe bezorgd Jacob was om zijn broeder gunstig te stemmen. Want die smeekbede werd hem alleen door groote en zware angst afgeperst. Toch schijnt die onderworpenheid ongerijmd te zijn, waarmee hij hem de heerschappij toekent, daar hij eertijds met levensgevaar daarom gestreden had. Want qls Ezau de eerstgeborene is, wat houdt Jacob dan nog over?

Waartoe diende het dan, om zooveel nijd zich op den hals te halen, zich aan zoovele gevaren bloot te stellen, en eindelijk met een twintigjarige ballingschap gestraft te worden als hij er thans niets op tegen heeft, om zich aan zijn broeder te onderwerpen ? Ik antwoord hierop, dat hij hem de tijdelijke heerschappij toekende, en hij daarmede niets afdeed van het recht der verborgene zegening. Hij weet, dat de uitkomst der goddelijke belofte nog wordt uitgesteld; met de hoop op de toekomende erfenis tevreden, aarzelt hij dus niet om voor het tegenwoordige zijn broeder boven zich te stellen in eere, en zich zijn knecht te noemen. In deze woorden lag dus geene veinzerij, want hij was bereid voor zijnen broeder te bukken, zoo hij slechts het recht in de toekomst, die nog verborgen was, daarmee niet verloor.

5. Ik bezit runderen. Niet uit pronkzucht telt Jacob zijne schatten op, maar om op die manier Ezau tot zachtheid te stemmen. Al te schandelijk en te laag zou het geweest zijn, om een broeder, die in verre landen door Gods gunst rijk was geworden, onbarmhartig te verjagen. Bovendien snijdt hij den pas af aan naijver in de toekomst. Want als hij met ledige handen en als een knecht was gekomen, had Ezau uit vrees voor schade op nieuw in toorn kunnen ontsteken. Daarom ver-

Sluiten