Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zou kunnen opgewassen zijn, door Wiens adem alleen alle vleesch vergaat en verdwijnt, en voor Wiens aanblik de bergen versmelten, door Wiens stem of wenk de geheele wereld wordt geschud ? Het zou daarom eene dwaze lichtzinnigheid zijn geweest, ook maar de geringste kamp met Hem te beproeven. Deze moeilijkheid is echter gemakkelijk op te lossen. Want wij strijden niet met Hem, of als Hij ons tot den strijd uitdaagt, rust Hij ons tevens toe met Zijne kracht en wapenen, zoodat Hij tegen ons en voor ons strijdt. Kortom de rollen in dezen strijd zijn zoo verdeeld, dat Hij ons met de eene hand aanvalt en met de andere verdedigt. Ja wijl wij meer kracht noodig hebben om weerstand te bieden, dan hij ontwikkelt in het bestrijden van ons, kunnen wij geschikt en met recht zeggen, dat Hij met de linkerhand tegen ons strijdt, en met de rechter voor ons. Want terwijl Hij maar zachtjes tegen ons strijdt, voorziet Hij ons van onoverwinnelijke kracht, waardoor wij de overhand behouden. Wel blijft Hij zelf ongedeerd, maar die tweeledige manier, waarop Hij met ons handelt, kan niet anders worden weergegeven. Want als Hij ons met eene zachte roede slaat, ontplooit Hij in het beproeven van ons niet Zijne volle kracht. Maar doordat Hij aan ons geloof de overwinning toekent, is Hij in ons sterker dan zichzelf. Schoon nu deze manier van spreken wel wat hard is, zoo wordt toch die hardheid wel wat verzacht, als het op de praktijk aankomt. Want daar verzoekingen het karakter dragen van strijd, (wij weten immers dat ze niet door het toeval, maar van Godswege ons toekomen) zoo volgt daaruit, dat God optreedt in den rol van tegenstander, en daarmee hangt het overige samen. Zoo ook, dat Hij in de verzoeking zelve zwak blijkt te zijn tegen ons, opdat Hij in ons zou overwinnen. Enkelen beperken dit tot eene bepaalde soort van verzoekingen, waarin God zich openlijk als met opzet vertoont als onze tegenstander, alsof Hij zich tot ons verderf had gewapend.

Ik stem toe, dat die worsteling van gewone is onderscheiden, en dat ze boven andere eene uitnemende en als het ware heldhaftige kracht vereischt. Maar ik vat gaarne de worstelingen van eiken aard, waarmee God zijne geloovigen oefent, samen, daar de geloovigen toch in die alle God tot een tegenstander hebben. Wel roept hij niet altoos het openlijk uit, dat Hij hun vijand is. Dat Mozes spreekt van een man, terwijl hij een

Sluiten