Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eervol. Deze naam wordt afgeleid van rnt? (Sarah) of van "W (Soer) 't geen beteekent heerschen, zoodat hij dus „vorst Gods" genoemd wordt. Een weinig te voren toch heb ik herinnerd, dat God de eer zijner sterkte overdraagt op Jacob, om in zijn persoon te triomfeeren. De verklaring van den naam, die onmiddelijk daaraan wordt vastgeknoopt is woordelijk volgens Mozes: „want gij hebt geheerscht met God, of over God of over de menschen en gij zult overwinnen." Door Hiëronymus schijnt echter de beteekenis trouw te zijn weergegeven dat wijl Jacob zich heldhaftig had gedragen tegenover God, hij nog veel meer de overhand zou behouden tegenover menschen. 't Was ten minste Gods plan, om zijn knecht toegerust met het vertrouwen op zulk eene schitterende overwinning, in onderscheidene kampstrijden te brengen, zoodat hij in 't vervolg niet wankelde. Want niet op menschelijke wijze geeft Hij hem een naam, maar Hij geeft tevens de zaak zelve, die daardoor wordt uitgedrukt, zoodat de uitkomst zeker daaraan beantwoordt.

29. Zeg mij toch Uwen Naam. Dit schijnt in strijd te zijn met hetgeen in het voorafgaande is geleerd. Want zooeven toen Jacob om een zegen vroeg, zeide ik, dat dit een teeken was van onderwerping. Waarom dan vraagt hij nu als in twijfel staande naar iemand dien hij te voren voor God heeft aangezien ? De verklaring hiervan is niet moeilijk. Want ofschoon Jacob God kent, is hij toch met die duistere en geringe kennis niet tevreden, maar verlangt hij tot een hoogeren trap te stijgen. En 't is geen wonder, dat de heilige man tot dezen wensch komt, want God had zich aan hem onder vele omhulsels geopenbaard, zoodat zijne kennis nog niet gemeenzaam en helder was. Het is zeker, dat alle heiligen onder de wet van zulk eene begeerte vervuld zijn geweest. Ook van Manoach leest men eene zoodanige bede, Richt. 13 vs. 18. Aan hem wordt hetzelfde antwoord gegeven, van Gods zijde, behalve dat daar de Heere nog verklaart, dat Zijn Naam wonderlijk en verborgen is, opdat Manoach niet verder zou aandringen. De slotsom is derhalve deze, dat de Heere, hoe vroom Jacobs bede ook zij, daaraan geen gevolg geeft, omdat de tijd voor de volle openbaring nog niet rijp was. Want in den beginne moesten de vaderen wandelen in een flauw schemerlicht, en trapsgewijze heeft de Heere zich aan hen geopenbaard, totdat eindelijk de zon der gerechtigheid, Christus, is opgegaan, in Wien Gods volmaakte glans uitstraalt.

Sluiten