Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

overdoen. Hoewel Jacob aldus met het oog op de tegenwoordige omstandigheden spreekt, zoo is dit toch eene openhartige belijdenis, waarin hij Gods genade verheerlijkt. Wel klinken dezelfde woorden bijna in aller mond, doch er zijn maar weinigen, die waarlijk hetgeen ze bezitten aan God toeschrijven, want de meesten schrijven alles toe aan hun eigen vlijt. Nauwelijks een op de honderd is overtuigd, dat al zijn bezit afkomstig is van Gods vrije gunst, en toch is dit besef in onze natuur ingeschapen, maar wij verwoesten het door onze ondankbaarheid. Boven zagen wij reeds hoe moeitevol Jacobs leven geweest is, en toch brengt hij, na reusachtige moeielijkheden te boven gekomen te zijn, alleen aan Gods goedertierenheid de eer daarvan.

12. Laten wij vertrekken. Hoewel Ezau tot welwillendheid geneigd is, wantrouwt Jacob hem toch. Niet dat Jacob bang was voor een hinderlaag, of dacht, dat onder den dekmantel der vriendschap trouweloosheid verborgen was, maar om nieuwe moeilijkheden te voorkomen. Want die trotsche en woeste man kon gemakkelijk wegens onbeduidende oorzaken weer verbitterd worden. Hoewel het den heiligen man niet ontbrak aan een geldige reden om te vreezen, zoo durf ik toch niet ontkennen, dat zijne bezorgdheid niet buiten de perken is gegaan. Die gulheid van Ezau was verdacht, maar waarom bedenkt hij niet, dat God er ook nog was, nu hij zoo duidelijk en zeker had ondervonden, dat God voor zijne behoudenis waakte ? Want vanwaar kwam die ongelooflijke gemoedsverandering van Ezau anders, dan dat hij door God van een wolf in een schaap was veranderd ? Laten wij dus door dit voorbeeld leeren onze zorgen te beteugelen, opdat wij niet, als God voor ons zorgt, beangst zijn als in hachelijke omstandigheden.

13. Mijn heer weet. Wel is het waar wat Jacob ter verontschuldiging bijbrengt, maar toch geschiedt het opsmukken daarvan niet zonder leugen, behalve misschien dit ééne dat hij zijnen broeder niet moeilijk of lastig wil vallen. Maar aangezien hij later zijnen weg elders heen wendt, blijkt hij iets anders te hebben voorgegeven, dan hij van zins was. Hij zegt, dat hij een talrijk leger meevoert, en daarom verzoekt hij zijnen broeder om maar vooruit te gaan. Ik, zoo zegt hij, zal mij schikken naar den tred der kinderen, d. i. ik zal zachtjes voortgaan naar

Sluiten